naar boven

wonen

Ruimte om te wonen wordt schaars.

Grond om op te bouwen, een huis om te kopen of te huren: het wordt té duur om nog leefbaar te zijn.

Er zijn te lange wachtlijsten voor wie nood heeft aan een sociale woning.

De huidige woningmarkt is niet aangepast aan de sociologische werkelijkheid (met bijvoorbeeld eenoudergezinnen en bejaarden). Al te vaak zijn woningen nog onvoldoende energiezuinig.

Wijken zijn vandaag de dag hoofdzakelijk samengesteld uit ‘slaapwoningen’: ’s morgens stroomt de wijk leeg als mensen naar hun werk gaan en ’s avonds parkeert men de wagen voor de woning en komt men slapen. Er zijn geen buurtwinkels meer, zorgcentra, centra voor recreatieve activiteiten en/of kleine kantoorgebouwen in de wijk.

Nog steeds zijn er leegstaande en/of verwaarloosde panden die niet onder handen genomen worden.

Kwalitatief en betaalbaar wonen is een basisrecht voor iedereen. 

De lokale overheid moet zelf actief zijn op de woningmarkt en zo helpen om het wonen betaalbaar te houden. Gedeelde ruimtes, cohousing, etc.

Energiezuinig bouwen en wonen is goed voor de portemonnee, en voor het milieu.

Er moet worden ingespeeld op de demografische evolutie zodat de woningmarkt overeenstemt met de sociologische werkelijkheid.

Brugge heeft nood aan een woonbeleid dat garant staat voor eigentijds en betaalbaar wonen, in een ruimte waar plaats is voor zowel jong als oud, waar leefbaarheid en duurzaamheid een noodzaak zijn voor de toekomst.

3 prioriteiten

Betaalbaar wonen

Een woning kopen of huren wordt in Brugge voor veel mensen onbetaalbaar. Groen heeft hiervoor slimme oplossingen.

Genoeg sociale woningen

Er is een nijpend tekort aan sociale woningen. Groen wil dat 10% van de Brugse woningen sociale woningen zijn.

Duurzaam (ver)bouwen

Energie wordt steeds duurder, het klimaat warmt op. Passief bouwen moet de standaard worden. Oude huizen moeten beter geïsoleerd worden.

Actiepunten

  • De stad Brugge stelt een woonbeleidsplan ‘Betaalbaar Wonen’ op, met aandacht voor betaalbaar en kwaliteitsvol wonen.
  • Er wordt een analyse van het wonen van vandaag opgemaakt: de doelgroepen, hun huidige manier van wonen, hun woonwensen en woonnoden.
  • Vervolgens worden de prioritaire doelstellingen voor het woonbeleid op korte en middellange termijn opgenomen in het gemeentelijk meerjarenplan, met bijzondere aandacht voor precaire woonsituaties en gezinnen met een laag inkomen.
  • Brugge kan vat krijgen op de woningmarkt door gericht gronden en eigendommen aan te kopen en te verbouwen via een ‘rollend woningfonds’, door haar gronden in eigen beheer te houden via recht van opstal en erfpacht en door 10 % sociale woningen te realiseren.
  • Starterswoningen, bejaardenwoningen,scheiderswoningen zorgen ervoor dat woonentiteiten op maat zijn. En dus ook betaalbaar.

  • Door de creatie van een eigen stadsontwikkelingsbedrijf stippelt Brugge een eigen woonontwikkelingsbeleid uit en laat zij dit niet langer in handen van privé-ontwikkelaars. 
  • Kopen wordt voor meer mensen haalbaar en betaalbaar als de koper niet langer de grond moet kopen. Door het systeem van Community Land Trust in te voeren wordt de aankoop van een woning ook voor wie geen spaarpot heeft mogelijk.
  • Brugge moet in minimum 10 % sociale woningen voorzien.
  • En ook het aanbod van de sociale verhuurkantoren moet worden vergroot en verbeterd. 
  • De stad en/of het OCMW Brugge participeert in het sociaal verhuurkantoor, staat mee in voor de huurwaarborg en de ondersteuning van de zwakkere huurder.

Ruimtelijke uitvoeringsplannen en stedenbouwkundige reglementen moeten worden aangepast.

  • Hierdoor wordt een verweving mogelijk van verschillende functies in de wijken, zodat wijken niet langer uit alleen maar ‘slaapwoningen’ bestaan. De aanpassingen moeten ook een mix van verschillende woontypes in elke wijk mogelijk maken. Zo kan elke wijk een ‘woonzorgwijk’  worden. En er worden nieuwe woonvormen mogelijk gemaakt. Zoals: generatiewonen, co-housing, Abbeyfield-woningen. Ook bestaande villa’s en gebouwen kunnen, door aanpassing van reglementering, worden omgevormd tot deze nieuwe woonvormen en woonconcepten.
  • De kwaliteit van bestaande woningen, inzonderheid de woningen op de huurmarkt, kan worden verbeterd via slimme renovatiepremies.
  • Oversubsidiëring en versnippering van de schaarse middelen moeten worden vermeden. 
  • Brugge ontwikkelt in samenwerking met provincie, intercommunales en milieuorganisaties een educatief aanbod voor bouwheren, architecten, installateurs…
  • En de stad biedt tevens informatie op maat aan via één centraal ‘woon-, water- en energieloket’, dat ook online raadpleegbaar is. Mensen en verenigingen kunnen er terecht voor kosteloos eerstelijns energieadvies bij renovatie- en nieuwbouwprojecten, voor informatie over energie-audits, informatie over goedkope leningen voor energiebesparingsinvesteringen…. 
  • Door middel van derdebetalersfinanciering biedt de stad ook aan wie weinig middelen bezit de mogelijkheid om energiebesparende maatregelen aan zijn/haar woning te laten uitvoeren.
  • Initiatieven als wijkverwarmingssystemen met kleine warmtekrachtkoppelingen en met zonne-installaties worden gepromoot. Er wordt ruimte gemaakt voor participatie in windenergie. Groendaken, zonnepanelen, waterdoorlaatbare straten, groengevels… worden gepromoot en aangemoedigd.
  • Brugge zet tevens in op duurzame wijken. Dit houdt meer in dan alleen duurzame woningen:
    - autoluwe wijken met een parkeerhaven aan de rand verzekeren een veilige speel- en fietsruimte voor de kinderen;
    - meer dan 40 % is groene ruimte, deels privé en deels collectief, met speelterreinen en ontmoetingsplaatsen;
    - ruimtes zoals berging, garage, afvalpunt, tuinhuis en logeerkamer worden, indien mogelijk, gedeeld - op die manier daalt de prijs en wordt er minder ruimte verbruikt;
    - de woningen zijn energieneutraal of leveren energie en worden gebouwd met duurzame en ecologische materialen;
    - er is een mix van verschillende woontypes;
    - in nieuwe verkavelingen worden collectieve energievoorziening, collectieve wateropvang en zuivering verplicht;
    - de wijk wordt een mix van jongeren, ouderen, huurders en kopers, ook personen met een laag inkomen;
    - er wordt aandacht besteed aan het straatmeubilair en de straatinrichting, zodat er ruimte is voor ontmoeting, zowel voor jong als oud.

mobiliteit

Mobiliteit is een basisrecht: iedereen moet zich kunnen verplaatsen. Groen pleit voor mobiliteit die efficiënt is, duurzaam en goedkoop.

Het en/en-verhaal (zowel kiezen voor automobiliteit, als voor de fiets en het openbaar vervoer) is hierbij niet langer geloofwaardig. De ruimte en de draagkracht van inwoners zijn nu eenmaal beperkt.

Een duidelijke keuze is dus noodzakelijk. Groen maakt die keuze. Groen wil de automobiliteit terugdringen en kiest resoluut voor de actieve weggebruiker (voetganger en fietser) en het openbaar vervoer om zich te verplaatsen, ongeacht of het gaat over woon-werk, woon-school, woon-winkel, recreatieve of andere verplaatsingen.

Groen Brugge gaat uit van het S.T.O.P.-principe. Bij elke straat besteden we eerst aandacht aan voldoende comfort voor voetgangers (Stappen), dan voor fietsers (Trappen), vervolgens wordt er aandacht besteed aan openbaar vervoer, en pas op de laatste plaats komt de personenwagen. Slechts zo kunnen we ruimte teruggegeven  aan de mensen om zonder zorgen te kunnen wandelen, spelen, ontspannen en ontmoeten.

Om het autoverbruik te helpen verminderen moeten we er  in de eerste plaats voor zorgen worden dat we verplaatsingen zo veel mogelijk vermijden. Dat kan door verstandig om te gaan met onze ruimte. Daarnaast is het noodzakelijk dat er realistische alternatieven komen: een vlot openbaar vervoer, deelfietsen, autodelen. Een mix van vervoersmiddelen is de oplossing.

3 prioriteiten

Een compacte stad

Hoe korter de afstanden, hoe minder verkeer. Mobiliteit en ruimtelijke ordening moeten goed op elkaar afgestemd worden zodat we van een compacte stad, waar alles op wandel- of fietsafstand ligt, kunnen genieten.

Een voetgangers- en fietsvriendelijke stad

Wij gebruiken liever niet het woord "zwakke weggebruiker". We hebben het liever over de actieve weggebruiker. Zij verplaatsen zich met lichaamsbeweging en zonder uitstoot. Dat juichen we toe! 

Een autoluwe binnenstad

De auto heeft de laatste decennia te veel ruimte opgeëist in de stad. Groen wil meer publieke ruimte aan de mensen geven om te ontspannen, winkelen, ontmoeten,... Groen pleit voor een autoluw stadshart waar voetgangers baas zijn.

Actiepunten

Afstanden vermijden en beperken

  • Een duurzaam mobiliteitsbeleid hangt samen met het ruimtelijk beleid: ruimtelijk structuurplan en mobiliteitsplan moeten samen worden opgemaakt, waarbij beide plannen elkaar ondersteunen en versterken.
  • Door functies (winkelcentra, sportterreinen, scholen,...)  ver buiten de stad neer te planten verplicht de stad haar burgers en bezoekers de wagen te nemen. In plaats daarvan moet bij het inplanten van nieuwe projecten rekening worden gehouden met afstanden.
  • Stads- en dorpskernen moeten versterkt worden. Bestaande functies in de kernen moeten worden versterkt en uitgebreid. Kleinhandel moet terug aangemoedigd worden om zich binnen de stad- en dorpskern te vestigen.

Voetgangers en rolstoelgebruikers

  • Straten en pleinen worden ingericht op maat van de meest kwetsbaren in onze maatschappij: kinderen en ouderen. Dat kan ondermeer door autoloze straten en pleinen, trage wegen, toegankelijk groen, speelstraten en woonerven.
  • Brugge moet een aangename wandelstad worden. Voetpaden moeten breder en comfortabeler.
  • Stoepranden worden aflopend afgewerkt zodat rolstoelen overal kunnen oversteken.
  • Voetpaden worden afgewerkt met materialen die comfortabel zijn voor alle gebruikers in elk seizoen van het jaar.
  • De Steenstraat wordt een gezellige kuierstraat, vrij van verkeer. Bomen en bankjes zorgen voor een aangename aankleding.
  • Er wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met comfort voor blinden en slechtzienden.
  • Er komen meer en duidelijk aangeduide (verlichte) zebrapaden.

Fietsen

  • Er worden fietsdoorsteken in de vorm van fietsstraten aangelegd. Dit zijn straten waar fietsen voorrang krijgen op auto’s en waar auto’s stapvoets mogen rijden. Dit verhoogt het comfort voor fietsers en worden sluipwegen minder aantrekkelijk. Zo kunnen fietsassen gerealiseerd worden in de binnenstad, bijvoorbeeld Rozendal en Leeuwstraat kunnen een fietsvriendelijk alternatief zijn voor de drukke Ezelstraat en Beenhouwersstraat.
  • Groen wil fietssnelwegen tussen de randgemeenten en deelgemeenten en het centrum. Hiervoor kunnen onder andere Zandstraat, Diksmuidse Heirweg en de Vaartdijkstraat dienst doen. Ter hoogte van de Zandstraat komt een voetgangers en fietsersbrug of -tunnel boven of onder de Expressweg.
  • Waar mogelijk worden fietspaden verbreed. Fietsen met twee naast elkaar is stukken aangenamer dan alleen.
  • In toeristisch drukbezochte buurten worden fietspaden duidelijker aangeduid en gemarkeerd.
  • In en naar de haven en op industrieterreinen worden fietspaden aangelegd.
  • Bakfietsen zijn in de stad een duurzaam alternatief voor de auto. Dit kan aangemoedigd worden met premies, speciale parkeerplaatsen en een bakfietsdeelsysteem.
  • Brugge fietsstad is niet compleet zonder een fietsdeelsysteem zoals in Brussel en Antwerpen.
  • Er wordt een fietsenstallingsplan opgemaakt waarmee de stad ervoor zorgt dat fietsers hun fiets overal, op een veilige en comfortabele manier kunnen stallen. Hierbij wordt rekening gehouden met verschillende fietssoorten zoals bakfietsen, fietkarren, elektrische fietsen,... Een deel van de bestaande ondergrondse parkings in de binnenstad worden omgevormd naar ondergrondse fietstallingen.
  • Het binnenplein van de Biekorf met ingang aan de Sint-Jakobsstraat wordt een beveiligde fietsparking.
  • Er worden comfortabele fietsersbruggen gebouwd over de ringvaart ter hoogte van de Kruispoort, Sint-Pieterskaai en Gentpoort.
  • Wacht- en oversteektijden aan verkeerslichten zijn nu te vaak ingesteld ten nadele van fietsers en voetgangers. De wachttijd moet korter, oversteektijd langer. Kruispunten worden voorzien van kleine verkeerslichten op hoogte van fietsers.
  • Bij de aanleg van straten wordt steevast gekozen voor fietsvriendelijke materialen. Een smalle betonstrook is onvoldoende.  De vormgeving van fietspaden moet in de hele stad consistent gebeuren. Fietspaden worden altijd in rood asfalt aangelegd.
  • Fietspaden worden altijd snel ijs- en sneeuwvrij gehouden.
  • Fietspaden worden op regelmatige basis uitgetest door stadsmedewerkers. Er komt een online meldpunt voor problemen.
  • Ook in de binnenstad komt een fietsnetwerk met wegwijzers.
  • In elke straat worden fietsrekken voorzien.

Wegverkeer

  • Groen pleit voor het autoluw maken van een gedeelte van de binnenstad. Dit kan door het lussensysteem aan te passen. We stellen voor de lussen door te knippen. Auto’s die de binnenstad inrijden raken er sneller terug uit. De markt en (winkel)straten in de omgeving van de markt worden op deze manier gevrijwaard van verkeer dat er niet hoeft te zijn. Bewoners en andere uitzonderingen (hulpverleners, aannemers,..) van het autoluwe gedeelte krijgen wel -stapvoets- doorgang. Leveringen kunnen gebeuren binnen raamuren. De nieuwe lussen kunnen als volgt lopen:

    - Ezelstraat -> Oude Zak -> Beenhouwersstraat
    - Langerei -> Annunciatenstraat -> St. Jorisstraat
    - Langestraat -> Predikherenstraat -> Kazernevest
    - Katelijnestraat -> Nieuwe Gentweg -> Gentpoortstraat
  • De brug van Steenbrugge moet dringend vervangen worden door een halfhoge brug: de meeste schepen kunnen door zonder de brug te hoeven openen. Voor grotere containerschepen kan de brug wel geopend worden.
  • De Vaartdijkstraat blijft een fietsstraat. Ten Briele kan doorgetrokken worden voor verkeer uit het zuiden van Brugge naar het station.
  • Taxi’s en toeristenbusjes moeten op termijn naar elektrische aandrijving overschakelen. Hiervoor moet laadinfrastructuur voorzien worden. Bij het toekennen van standplaatsen en vergunningen dient worden opgenomen dat bij vervangingen wordt gekozen voor uitstootarme voertuigen: in eerste instantie hybride wagens, op termijn elektrisch of op waterstof.
  • In alle Brugse deelgemeenten komt minstens één Cambio-standplaats voor deelauto’s.
  • In heel Brugge moet geïnvesteerd worden in een netwerk van laadpunten voor elektrische wagens, fietsen en scooters. Deze worden bevoorraad door groene energie. Bewoners van Brugge kunnen via de elektrische identiteitskaart (betalend) toegang krijgen tot het netwerk.
  • Bij het vervangen van voertuigen in het Brugse wagenpark wordt resoluut de kaart getrokken van elektrische of hybride aandrijving. Binnen 15 jaar moet het wagenpark CO2-neutraal zijn. Brugge promoot ook waar mogelijk thuiswerken.
  • Er worden parkeerplaatsen voorzien voor motorfietsen.

Openbaar vervoer

  • Er wordt onderzocht of het bestaande openbare vervoer hertekend kan worden. Niet enkel het centrum, maar ook de deelgemeenten onderling moeten vlot bediend worden. Dat kan eventueel met een ringbus die de dorpscentra van de omliggende deelgemeenten verbindt. Bussen hoeven ook niet op de markt halt te houden. Zo kan de volledige markt verkeersvrij gemaakt worden. In de binnenstad kan ook voor de bussen het lussenplan herbekeken worden.
  • Groen pleit voor een regiotram: studies van De Lijn tonen aan dat een uitbreiding van de kusttram naar het binnenland via Brugge rendabel is. Een lijn Blankenberge-Blauwe Toren- St.Jan- 't Zand-Jabbeke-Torhout-Roeselare zorgt voor een uitgebreide, herkenbare regionale ontsluiting.
  • Er wordt met de NMBS onderhandeld om een snelle treinverbinding richting Rijsel, met als enige tussenstop Kortrijk. De mogelijkheid van een treinverbinding naar Amsterdam via Vlissingen moet worden onderzocht.
  • Waar een bushalte wordt (her)aangelegd, wordt ook een overdekt bushokje voorzien.

Vrachtvervoer

  • Vrachtverkeer wordt uit de woonstraten geweerd d.m.v. tonnagebeperking. Door middel van een distributiecentrum aan de rand wordt bevoorrading van de winkels ook zonder zwaar vrachtverkeer maar met lichtere (elektrische) bestelwagens mogelijk.
  • De huidige binnenvaartstructuur via de ringvaart wordt vernieuwd met snellere bruggen en een nieuw sas aan de Dampoort.
  • De aanleg van een derde en vierde treinspoor, met eerbiediging van de leefbaarheid van Lissewege van Zwankendamme, biedt belangrijke perspectieven voor de ontsluiting van de haven van Zeebrugge, en moet het ook mogelijk maken dat er meer verbindingen komen tussen Brugge en Gent zodat het comfort van de treinreiziger op dit drukke traject kan worden vergroot tijdens de spitsuren.

Parkeerbeleid

  • De ondergrondse rotatieparkings in de binnenstad worden bewonersparkings. Bewoners en werknemers uit de binnenstad kunnen hier terecht.
  • Lang parkeren in de binnenstad wordt enkel toegelaten voor inwoners. Er worden voor bezoekers kortparkeerplaatsen voorzien, uitgerust met elektronisch controlesysteem. 
  • Voor bezoekers worden ruime randparkings, buiten de ring, uitgebouwd. Zo wordt de verkeersdruk op de ring en binnenstad verlicht. De randparkings moeten vlot en comfortabel met het centrum verbonden zijn met openbaar vervoer en deelfietsen.
  • Er wordt werk gemaakt van wijkparkings om autovrije woonwijken te realiseren.

Verkeersveiligheid

  • Voor de schoolgaande jeugd kan de veiligheid worden verhoogd door de opmaak van een schoolvervoerplan voor alle scholen op haar grondgebied, is er maandelijks overleg tussen de stad, politie en alle scholen opdat problemen snel worden aangepakt; worden schoolomgevingen maximaal autoluw ingericht, fiets- en voetpools zorgen dan weer dat kinderen veilig in groep naar school kunnen.
  • Kruispunten moeten veiliger ingericht worden voor fietsers. Veel kruispunten zijn nog niet uitgerust met een fietsvoorsorteerstrook. Hier moet dringend werk van gemaakt worden.
  • In woonwijken, rond scholen, in stads- en dorpscentra worden zo veel mogelijk zones 30 ingevoerd. Regelmatige snelheidscontroles zien er op toe dat deze snelheid gerespecteerd wordt.

vergrijzing-jongerenvlucht

De vooruitgang op medisch vlak zorgt ervoor dat we langer leven. Dit is uiteraard goed.
Maar dit heeft zo zijn consequenties voor het maatschappelijk leven, en aldus ook voor het beleid dat moet worden gevoerd.

Bovendien hebben niet alle ouderen het goed. Voor de één is het de gezondheid dat niet mee zit, andere ouderen kampen met financiële zorgen, nog anderen staan er volledig alleen voor.

Ouderen zijn echter geen last, maar een rijkdom voor de lokale samenleving. Ze zijn actieve burgers die mee het beleid vormgeven. Oud wil niet zeggen uitgerangeerd: ouderen moeten de mogelijkheid krijgen hun capaciteiten in te zetten voor de stad. Ook de vereenzaming moet worden tegengegaan.

Elke 2 dagen is er een -19 jarige minder in Brugge. Brugge kan hen niet langer boeien. Een stad die zijn jongeren verwaarloost, speelt met zijn toekomst. De toekomst is aan de jeugd. Groen Brugge wil een beleid voeren voor en met de jeugd. Centraal staan inspraak en ruimte. Groen Brugge wil dat jongeren zich thuis voelen in hun stad. Het is daarom belangrijk om hen aan het woord te laten. 

Groen Brugge wil een toegankelijk vrijetijdsaanbod dat aansluit op de interesses van de jeugd. Jongeren en kinderen moeten overal kunnen spelen, sporten, samen zijn,… In de ruimtelijke ordening wordt echter vaak geen plaats voorzien voor kinderen en jongeren.

Groen Brugge pleit voor een jongerenbeleid en wil zich niet laten vangen aan de hangjongeren-hype.

3 prioriteiten

De rol van de jeugdraad versterken

De jeugdraad kan de stad adviseren in de te nemen initiatieven, probleemsituaties,… Een advies van de jeugdraad wordt nog te vaak onvoldoende gewaardeerd.

Ruimte voor jongeren

Geef jongeren voldoende ruimte om zichzelf te zijn. Vergeet de "hang" in hangjongeren: laten we niet alle jongeren viseren door die enkelingen die zich misdragen.

Wonen voor ouderen

Het lokaal woonbeleid voorziet in de voldoende woonmogelijkheden voor ouderen volgens de diverse behoeften: serviceflats, woonzorgcentra, kangoeroewoningen…

Actiepunten

Vergrijzing

  • Naast specifieke zorg die ouderen behoeven, zijn ouderen tevens een enorme rijkdom voor de lokale gemeenschap. Heel veel ouderen zijn actief, doen vrijwilligers werk, vangen de kleinkinderen op en doen andere zorgtaken. Groen wil de rol van ouderen meer waarderen.
  • De lokale context speelt een essentiële rol in het leven en welzijn van ouderen. Met de leeftijd worden mensen sterker afhankelijk van het lokale aanbod en de toegankelijkheid ervan.
  • Groen pleit voor een intergenerationele rechtvaardigheid en solidariteit: een mensvriendelijke leefomgeving met veilige voetpaden, voldoende rust en ontmoetingsruimtes, autoluwe omgeving.
  • Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de verschillende behoeften van alle ouderen. Tot de leeftijdsgroep van 60 jaar en 90 jaar behoren verschillende generaties.
  • Groen wil iedereen de kans geven op een aangename oude dag.
  • Groen wil ook creatief mee zoeken naar gepaste zorg om zorgbehoevende ouderen zo lang mogelijk in eigen buurt te laten wonen. Door contact met gekende buurtbewoners wordt vereenzaming vermeden. Ook alternatieve woonvormen kunnen een buffer vormen tegen eenzaamheid.
  • Groen pleit voor een inclusief ouderenbeleid. M.a.w. de aandacht voor ouderen is terug te vinden in verschillende beleidsdomeinen: welzijn, wonen, ruimtelijke ordening, veiligheid, cultuur & vrije tijd, mobiliteit, lokale economie, …
  • Een jaarlijkse vrijwilligersbeurs waarop de stad inzonderheid jong gepensioneerden uitnodigt, biedt de mogelijkheid om talent te koppelen aan behoefte.
  • Hierbij wordt er vooral ook op toegezien dat komaf wordt gemaakt met een uitsluitende of te snelle verwijzing naar ‘ouderspecifieke’ werkingen.
  • Een ontmoeting tussen de diverse plaatselijke raden (sportraad, cultuurraad, jeugdraad, ouderenraad, …) zorgt voor kruisbestuiving.
  • De stad organiseert jaarlijks een dergelijke happening.
  • De stad promoot ook bij de ouderen de mogelijkheid tot het genieten van projectgebonden subsidies teneinde buurtgebonden initiatieven mogelijk te maken.
  • Opmaak van beleidsplannen dient te gebeuren in nauw overleg met de ouderen.
  • Het advies van de ouderenraad dient daarbij in rekening gebracht.
  • Een ouderenbeleidscoördinator ziet er op toe dat steeds een link wordt gelegd met andere beleidsdomeinen.
  • Er wordt nauwlettend toegezien op de toegankelijkheid van diensten; en dit zowel op het vlak van materiële toegankelijkheid van het gebouw of de dienst, als wat betreft de bereikbaarheid, als wat betreft de mogelijkheid voor ouderen om toegang te krijgen tot bijvoorbeeld e-communicatie.
  • Bij aanleg van voetpaden, fietspaden, wegen, … wordt steeds rekening gehouden met de zwakste weggebruikers: kinderen en ouderen. Op hun maat worden de nodige infrastructurele maatregelen genomen.
  • Ieder bushokje wordt voorzien van een water- en windvrije schuilplaats met voldoende zitmogelijkheden.
  • Het lokaal woonbeleid voorziet in de voldoende woonmogelijkheden voor ouderen, en dit volgens de diverse behoeften: serviceflats, woonzorgcentra, kangoeroewoningen, ….
  • Steeds wordt getracht zorgbehoevende ouderen zo lang mogelijk in de eigen buurt te laten wonen.
  • Om vereenzaming tegen te gaan zijn integrale wijk- en buurtcentra een must.
  • Bereikbaarheid van diensten en voorzieningen, de nabijheid van winkels, veiligheid, ruimte voor ontmoeting, informatie en activiteiten, … zijn essentieel.
  • De stad ziet toe op de uitbouw van extra zorg in de wijk. Naast formele zorgverstrekking, moet er ook mogelijkheid zijn tot informele zorg.
  • Het lokaal dienstencentrum voorziet in een ‘bank voor mantelzorgers’ waar vraag en aanbod op elkaar kunnen worden af gestemd.
  • Een laagdrempelig wijkrestaurant kan zorgen voor goedkope en gezonde maaltijden, in samenwerking met de lokale middenstand.
  • De stad doorbreekt het taboe van dementie. Zij wijst er de burgers op dat mensen met dementie ook medeburgers zijn. Nieuwe woonvormen en zorgmogelijkheden, samenwerking van diverse diensten en het informeren van burgers moet mensen makkelijker leiden naar de concrete hulpdiensten en ondersteuningsmogelijkheden.
  • De stad informeert senioren op de voor hen van toepassing zijnde regel- en wetgeving omtrent inkomstengarantie, omnio-statuut, sociale huisvesting, … en helpt hen bij de aanvraag daartoe, het invullen van documenten, …

Jeugd aan het woord

  • De stad versterkt de positie van de jeugdraad: 
  • de jeugdraad houdt de vinger aan de pols bij de jongeren. De jeugdraad kan de stad adviseren in de te nemen initiatieven, probleemsituaties,… Een advies van de jeugdraad wordt nog te vaak onvoldoende gewaardeerd. De stad dient daarom zijn band met de raad te versterken. Het zorgt ervoor dat de stad nog beter kan inspelen op de noden van de jongeren. 
  • De stad stimuleert de openheid van zijn jeugddienst:
  • de jeugddienst stimuleert de aansluiting van alle groepen (gaande van maatschappelijk kwetsbare jongeren tot allochtonen). Daarnaast zorgt de jeugddienst voor transparantie naar de jeugdverenigingen. Jeugdverenigingen hebben een organiserende taak en geen administratieve. De jeugddienst kan die taak verlichten door op een transparante manier over alle procedures te communiceren. Daarnaast kan de stad een feestloket invoeren. Bij dit feestloket kunnen verenigingen terecht met alle vragen van administratieve aard. Ze krijgen er ook alle nodige documenten in één keer. 
  • De stad ondersteunt lokale initiatieven en participatiekanalen:
  • de stad geeft jongeren de mogelijkheid om hun initiatieven voor te leggen. Jongeren vinden niet altijd de weg naar de jeugdraad of naar de jeugddienst. De stad dient daarom alle participatiekanalen aan te wenden (bv. adviesraden in scholen, e-participatie via sociale media…). Sommige initiatieven ontstaan van onderuit, daarom is het aan de stad om nieuwe initiatieven ten volle te ondersteunen. Dit kan gaan van het communiceren tot het financieel ondersteunen van het initiatief. 
  • De stad laat jongeren meedenken over het beleid:
  • een jeugdbeleid staat niet op zich. Groen Brugge pleit voor een geïntegreerde aanpak waarbij ook in andere beleidsdomeinen aandacht is voor jeugd. Beslissing over cultuur en sport, maar ook over ruimtelijke ordening, milieu en openbare werken hebben een impact op de jeugd. De stad moet daarom ook de jeugdraad over deze thema’s om advies vragen. Er is nood aan een formele jongerentoets voor jongereninitiatieven. Op Vlaams niveau bestaat de kinder- en jongeren-effectrapportage (JoKER) voor regelgeving die een impact heeft op kinderen en jongeren worden de effecten voor deze doelgroep in kaart gebracht.

Jeugd en vrije tijd

  • Inspraak van kinderen en jongeren:
  • door de jeugd aan het woord te laten, zal de stad een aanbod hebben dat inspeelt op de interesses van de jongeren. (zie punt 1) 
  • Vergroenen van fuiven en evenementen:
  • de feestloketten (zie punt 1) zorgen niet alleen voor een administratieve vereenvoudiging, ze kunnen ook het vergroenen van fuiven stimuleren. Zo kan er gebruik gemaakt worden van milieuvriendelijke verlichting en herbruikbare bekers. Fuiforganisatoren die zulke initiatieven ontwikkelen moeten beloond worden met een subsidie. 
  • Infrastructuur voor iedereen:
  • de stad zorgt er voor dat er voldoende ruimte en infrastructuur voor jeugdinitiatieven. Dit kan je doen door je ruimtes flexibel te gebruiken, zo kan een seniorencentrum overdag perfect een repetitielokaal worden ’s avonds. Ook bij het bouwen of verbouwen van fuifinfrastructuur verdienen duurzaamheidscriteria meer aandacht. Voldoende fietsstallingen, betere isolatie en zuinige verwarmingsinstallaties zijn hier goede voorbeelden van. 
  • Veiligheid op fuiven en feestjes
  • De stad moet hiervoor een intensieve samenwerking aangaan met de fuiforganisatoren, de politie en andere veiligheidsdiensten. Groen Brugge pleit voor een overlegmodel, want voor ieder uitgaansmoment vereist een andere aanpak. Door in dialoog te treden met de organisatoren kunnen mogelijke problemen vooraf vermeden worden. Groen Brugge houdt echter niet van al te strenge veiligheidsmaatregelen. Uitgaan moet aangenaam blijven, daarom is eerder een beperkte aanwezigheid van fuifbuddy’s, politie- en andere veiligheidsdiensten bij grote en risicovolle fuiven wel aangewezen. 
  • Uitgaan en vervoer
  • Wanneer jongeren uitgaan, doen ze dat vaak met de fiets of te voet. De stad dient daarom in uitgaansbuurten voldoende fietsstallingen te plaatsen. De stad investeert in creatieve oplossingen zoals nachtbussen, taxicheques en vlotte fiets-, bus- en treinverbindingen.

Ruimte voor iedereen

  • De stad dient bij de indeling van publieke ruimtes de jongerentoets te doen. Naast die jongerentoets is er ook overleg nodig ook met alle partijen van de buurt waarin de publieke ruimte zich bevindt. Beide elementen zullen ervoor zorgen dat de publieke ruimte efficiënt ingedeeld wordt. 
  • Kindvriendelijke ruimte is kwaliteitsvolle ruimte. De stad werkt daarom aan een ‘speelweefsel’, een netwerk van formele kindvoorzieningen (speelterreinen, speelbossen, jeugdlokalen,…); informele kindvoorzieningen (woonstraat, plein, groene ruimte, bibliotheek,…) en verbindingen tussen die voorzieningen.

Grenzen verkennen

  • Vergeet de hang in hangjongeren. Jongeren die in hun vrije tijd samenkomen op straat of openbaar domein krijgen vandaag vaak het label ‘overlast’ opgekleefd. Een extreme en strenge aanpak van hangjongeren berokkent schade aan alle jongeren. Groen Brugge wil overtredingen aanpakken, maar niet door strengere straffen en nultolerantie. De stad moet het recht op ‘rondhangen’ erkennen en daarvoor voldoende ruimte voorzien. Bij grensoverschrijdend gedrag komt overleg op de eerste plaats. Een belangrijke partner hierin is buurtopbouwwerk. 
  • Jongeren hebben niet altijd een specifieke ruimte enkel voor hen nodig. Vaak komen ze samen op plaatsen waar ook ouderen samenzijn. Om de ruimte beschikbaar te houden voor beide groepen kan de stad de ruimte aan de verschillende groepen aanpassen. Zorg voor een rustige picknickzone voor gezinnen en een ramp voor de skaters. Door ruimtes flexibel in te delen, is er minder kans op (over)last.

Toekomstperspectieven voor jongeren

  • Vele Brugse jongeren blijven na hun studies in hun studentenstad hangen. Één van de redenen is het woonbeleid van de stad. Hoe de stad hierop kan inspelen vind je in het hoofdstuk over Wonen.
  • Jongeren uit de bijzondere jeugdzorg hebben nood aan begeleiding. Daarom pleit Groen Brugge voor een jeugddienst binnen de OCMW. Die dienst kan naast het begeleiden van jongeren ook jongeren met een verhoogd risico op armoede detecteren.
  • De stad kan werken in Brugge aantrekkelijk maken door werkervaringsplaatsen aan te bieden.
  • Het onderwijsaanbod dient aan te sluiten op de arbeidsmarkt. Samenwerking en communicatie tussen onderwijs en bedrijfswereld wordt gestimuleerd. 
  • Jong en creatief ondernemen wordt ondersteund en gestimuleerd. De stad biedt betaalbare (werk)plaatsen aan jonge ondernemers zodat innovatief en creatief talent mogelijkheden krijgen.

milieu

U verwacht het misschien niet, maar dit hoofdstuk schrijven we eigenlijk tegen onze zin. Zorg dragen voor het milieu zou een evidentie moeten zijn en geen programmahoofdstuk.

Helaas is er nog veel werk aan de winkel. Uit een recente enquete van Ovam blijkt dat de Vlaming wel milieubewust is, maar daar niet genoeg naar handelt. Milieuvriendelijkere keuzes maken moet eenvoudiger en vanzelfsprekender worden.

Groen wil de Bruggeling op een constructieve manier helpen bij het verkleinen van zijn en haar ecologische voetafdruk. Het stadsbestuur moet hierin een voorbeeldrol spelen: het moet bij alle beslissingen die het neemt rekening houden met de impact op het milieu.

De opwarming van het klimaat is een van de grootste uitdagingen waar de mensheid de komende decennia mee te maken krijgt. Een drastische vermindering van de uitstoot van broeikasgassen moet de klimaatopwarming binnen de perken houden. De maatregelen op globaal en nationaal niveau zijn ruim onvoldoende, waardoor de zware politieke verantwoordelijkheid op de schouders van het lokale niveau terechtkomt.

Hoewel veel aandacht gaat naar de klimaatverandering en CO2-uitstoot, zijn er nog milieu-uitdagingen die om duurzame oplossingen vragen. Zo moet de afvalberg verkleind worden, moet er verstandiger omgegaan worden met niet-biologisch afbreekbare materialen zoals plastic, gaat de biodiversiteit zienderogen achteruit en verdient dierenwelzijn meer aandacht.

3 prioriteiten

Een klimaatplan voor Brugge

Er wordt een ambitieus maar realistisch klimaatplan opgesteld. Het wordt opgesteld samen met de plannen van verschillende beleidsdomeinen zoals huisvesting, mobiliteit,... Tegen 2050 moet Brugge klimaatneutraal zijn.

Een ecohuis voor alle Bruggelingen

Dit wordt een plek waar u kan leren hoe u de ecologische voetafdruk van uw gezin en bedrijf kan verkleinen. Er worden oplossingen voorgesteld om duurzamer te (ver)bouwen, zich te verplaatsen, te eten, te tuinieren,...

Meer groen in de stad

Stadstuinieren is in. Groen Brugge wil dit aanmoedigen met onder andere meer volkstuintjes, gemeenschapstuinen, daktuinen en groene gevels. We willen op diverse locaties planten en bomen met eetbare vruchten en noten aanplanten.

Actiepunten

Klimaat

  • Brugge ondertekent het burgemeesterconvenant en verbindt er zich zo toe de energie-efficiëntie en het gebruik van duurzame energiebronnen op het Brugs grondgebied te verhogen. Door deze verbintenis beoogt Brugge de 20 % CO2-reductiedoelstelling van de Europese Unie tegen 2020 te behalen en te overtreffen.
  • Er wordt een ambitieus maar realistisch klimaatplan opgesteld. Tegen 2050 moet Brugge, zowel de stadsdiensten als de bedrijven en inwoners, klimaatneutraal zijn. Het klimaatplan toont jaar per jaar aan hoe deze doelstelling  zal worden gehaald. Het omvat ook maatregelen om de gevolgen van de klimaatverandering op te vangen. Dit plan wordt opgesteld samen met de plannen van verschillende beleidsdomeinen zoals ruimtelijke ordening, mobiliteit, huisvesting,...
  • Brugge investeert in een ecohuis waar de Bruggeling kan leren hoe hij de ecologische voetafdruk van zijn gezin kan verkleinen.
  • Alle informatiekanalen (Bruggespraak, website...) worden benut om de Bruggeling te informeren over de klimaatuitdaging.

Energie

  • De haven van Zeebrugge moet nog meer een energiehaven worden. Zoveel mogelijk ruimte moet er worden benut voor het opwekken van groene stroom. Dat kan met zonnepanelen (boven autoparkings, bedrijfsgebouwen...) en windenergie, maar er kan ook geëxperimenteerd worden met getijden- en golfslagenergie, een vergistingsinstallatie voor GFT-afval...
  • Met een duurzaam lichtplan wordt energieverspilling bij openbare verlichting en monumentenverlichting en lichtvervuiling vermeden.
  • In het ecohuis kunnen zowel particulieren, bedrijven als professionelen terecht. Er wordt een educatief aanbod ontwikkeld, en in het loket voor energieadvies kan een energie-audit aangevraagd worden. Het ecohuis is op zich een voorbeeldgebouw op het vlak van duurzaam materiaal- en energiegebruik. Het ecohuis moet ook online bereikbaar zijn. 
  • Voor het plaatsen van zonnepanelen moet enkel nog voor de binnenstad een bouwvergunning aangevraagd worden. Ook daar moeten de regels minder streng worden toegepast: als het niet al te storend is, mogen ze zichtbaar zijn van op het openbaar domein.
  • Bij nieuwbouwprojecten van de stad wordt gekozen voor passiefbouw of actieve woningen. Voor de vervanging van bestaande installaties en bij renovaties wordt gekozen voor de technieken die de meeste energiebesparing opleveren. Voor de eigen gebouwen houdt Brugge een energieboekhouding bij.
  • De verbeteringspremie wordt een energiepremie gekoppeld aan energiebesparingswerken. De premie, die nu enkel geldt voor dakisolatie, wordt uitgebreid naar muurisolatie, hoogrendementsglas, zonneboiler...
  • De bevolking wordt gestimuleerd zuinig met energie om te gaan en geïnformeerd over de mogelijkheden om dat te doen.
  • Er wordt een energiescore ontwikkeld die het gemiddelde verbruik per inwoner en per gezin omvat.
  • Energiebesparing moet in de sociale huisvesting ingang vinden in de vorm van lage energie-ingrepen op passiefwoningen. Niet alleen de woningprijzen, ook de energiekosten zijn voor steeds meer gezinnen problematisch. Stadsbestuur en OCMW onderhandelen met energieleveranciers om de aankoop van groene energie voor mensen met een laag inkomen te bundelen. Een derdebetalersysteem moet energiebesparende werken bij mensen met een laag inkomen mogelijk maken.
  • Brugge profileert zich als Belgische hoofdstad van de windenergie. Een windplan legt de ideale locaties voor windenergie vast in samenspraak met adviesraden en inwoners. Met dit plan kan de stad actief op zoek naar investeerders voor projecten. Bruggelingen worden uitgenodigd aandelen te kopen van coöperatieven voor windprojecten.

Natuur en biodiversiteit

  • Brugge engageert zich door het Charter voor Biodiversiteit van Natuurpunt te ondertekenen om samen met het middenveld werk te maken van een ambitieus biodiversiteitsbeleid.
  • De stad zal overtredingen bij boomkap opvolgen. De bevolking wordt bewust gemaakt over milieuovertredingen en de gevolgen ervan voor het milieu.
  • Brugge blijft investeren in aankoop, beheer en openstelling van natuurgebieden door zelf gronden aan te kopen en/of terreinbeherende organisaties als Natuurpunt te ondersteunen.
  • De groene gordel wordt integraal behouden. Het bosbestand wordt uitgebreid.
  • Brugge wordt ingericht als lobbenstad met groene vingers die in het stedelijk weefsel geïntegreerd worden.
  • Brugge geeft meer ruimte aan wilde natuur in de parken. Door inheemse stuifmeel- en nectarhoudende bloemen te zaaien wordt Brugge een bijvriendelijke stad. Brugge kiest resoluut voor een pesticidenvrij beheer van eigen gronden en promoot ecologisch tuinieren.
  • Brugge voert het bermbesluit uit en maakt werk van een bermbeheerplan. 
  • Er worden speelplekken gecreëerd in de bossen. Dit gebeurt in overleg met alle betrokken partners, vooral de kinderen.
  • Brugge voorziet in meer volkstuintjes, gemeenschapstuinen, ruimte voor gedeelde kippen en voor stadslandbouw. De stad staat open voor burgerinitiatieven op dat vlak. Op het openbaar domein worden planten en bomen met eetbare vruchten en noten aangeplant.
  • Groene gevels, levende gevels waarop planten worden aangeplant, worden aangemoedigd, alsook groene voortuintjes. Het verharden van voortuintjes wordt niet toegelaten.
  • In elke wijk worden de burgers van bij de start betrokken bij de opmaak van een groen-ontwikkelingsvisie. Ze krijgen inspraak, worden betrokken bij de aanplanting en kunnen eventueel verantwoordelijkheid krijgen bij het onderhoud door middel van buurtcontracten.
  • Het gebruik van warrelnetten wordt in Zeebrugge niet toegelaten. Deze vismethode is nefast voor de biodiversiteit in de Noordzee.

Leefmilieu

  • Een goed lokaal milieubeleid is gebaat bij het in kaart brengen van de huidige toestand. Dit kan door een nulmeting op basis van objectieve gegevens (aantal sluikstorten, bodemvervuiling, omgevingslawaai…) enerzijds en anderzijds door te peilen naar de subjectieve beleving van de burgers. Op belangrijke plekken in de gemeente, zoals scholen en langs drukke wegen, wordt de luchtkwaliteit gemeten en in kaart gebracht.
  • Op verschillende locaties in de stad worden drinkwaterfonteinen geplaatst. Dit moet het drinken van kraantjeswater en het gebruik van hervulflessen bevorderen.
  • Er worden subsidies aangeboden voor gebruik van herbruikbare luiers. Dit zorgt voor een aanzienlijke vermindering van de afvalberg. Een verhuursysteem of doorverkoopsysteem kan de impact op het milieu en kostprijs nog verkleinen.
  • Vermindering van vleesconsumptie wordt aangemoedigd door de introductie van Donderdag Veggiedag. Scholen, restaurants en inwoners worden geïnformeerd over de impact van vleesconsumptie op het milieu en dierenwelzijn en warmgemaakt om één dag per week vegetarisch te eten.
  • Lokaal geproduceerde voeding wordt gepromoot. Er wordt een wekelijkse boerenmarkt georganiseerd waar landbouwers uit de streek hun producten rechtstreeks aan de verbruikers kunnen verkopen.
  • Voor de Groendienst worden bakfietsen ingezet, zoals dat in Oostende het geval is.
  • Er wordt geëxperimenteerd met een stedelijke uitleendienst voor toestellen en werkmaterieel, bijvoorbeeld boormachines, aanhangwagens, hogedrukreinigers... Dit kan zorgen voor extra werkgelegenheid in de sociale economie. 
  • Het stadsbestuur vervult een voorbeeldfunctie. Openbare aanbestedingen moeten voldoen aan sociale- en duurzaamheidscriteria. De stadsdiensten moeten bij de aankoop van schoonmaakproducten, voertuigen, kantoormateriaal… kiezen voor de ecologisch meest verantwoorde oplossing.

Afvalbeleid

  • Brugge voert een actief afvalpreventiebeleid. Met originele en doeltreffende campagnes wordt de Bruggeling gevraagd om hun afval te beperken. Er wordt een plan opgesteld om zwerfvuil te vermijden.
  • Het uitdelen van plastic zakjes in winkels en op markten wordt verboden. Het gebruik van herbruikbare winkeltassen wordt aangemoedigd.
  • Samen met de afvalmaatschappij wordt onderzocht hoe, naast PET, nog andere soorten plastic kunnen worden ingezameld en gerecycleerd.
  • Naast de traditionele compostvaten biedt de stad ook de meer efficiënte compostbakken aan.
  • De stad komt tegemoet aan appartementsbewoners wat betreft de inzameling van GFT-afval, bijvoorbeeld kunnen waar mogelijk compostbakken worden geplaatst per appartementsblok of wijk. Hiervoor worden compostmeesters aangesteld.

Dierenwelzijn

  • In Brugge moet het programma voor de opvang van kittens van het asiel van Oostende worden overgenomen. De volwassen katten moeten grotere kooien en meer comfort krijgen. Zieke dieren moeten behandeld worden.
  • Brugge biedt katteneigenaars een premie aan voor de sterilisatie van hun dieren.
  • Er wordt een zwerfkattenprogramma op poten gezet waarbij de katten gevangen worden, gesteriliseerd, ontwormd, ontvlooid en vervolgens teruggeplaatst worden.
  • Circussen en kermisattracties met dieren worden niet toegelaten op Brugs grondgebied.
  • De verkoop van gezelschapsdieren zoals cavia’s, konijnen,... op de markt wordt niet meer toegelaten. Dit leidt tot impulsieve aankopen met verwaarloosde dieren tot gevolg.
  • De kinderboerderij wordt een toonvoorbeeld van diervriendelijkheid. Konijnen in kleine kooien, varkens in een kleine stal,... horen daar niet bij.
  • Experts inspecteren regelmatig het welzijn van de koetsenpaarden en van de dieren in het dolfinarium.
  • Bij overlast door overpopulatie van bepaalde soorten gaat de stad doordacht te werk. Daarbij wordt rekening gehouden met de specifieke kenmerken van de soort.
  • Brugge geeft geen toelating aan nieuwe pelsdierhouderijen of uitbreidingen van pelsdierhouderijen. 
  • De gemeente voert een preventief beleid op vlak van vossen. Door inwoners te stimuleren gerichte maatregelen te treffen wordt schade door vossen vermeden.
  • In Brugge komen er geen bedreigde diersoorten zoals Blauwvintonijn op het menu. 
  • Er komt een meldpunt voor dierenmishandeling en overlast door dieren. In samenwerking met de politie worden de meldingen effectief opgevolgd. 
  • Brugge ondersteunt veeboeren die diervriendelijk te werk gaan.
  • Brugge voorziet in voldoende uitlaat- en losloopplekken voor honden. Ook het aanbod hondentoiletten wordt uitgebreid.

economie

Groen gelooft in een economie op mensenmaat waarbij kleine zelfstandigen en KMO's de ruggengraat vormen. De bestaande Brugse troeven moeten ondersteund en versterkt worden. We geloven niet in concurrentie door opbod, wel door diversiteit. Een groene economie biedt nieuwe kansen tot innovatie en creativiteit. Brugge moet op deze opkomende revolutie inhaken.

Het is ontmoedigend een nieuwe zaak te starten voor jonge ondernemers door te dure huurprijzen en een te eentonige markt. Door in te zetten op stadskwartieren met eigen specifieke specialiteiten willen we de markt verbreden en creativiteit aanwakkeren. Startersfaciliteiten geven jonge starters een extra duw in de rug.

Ruimte is beperkt, ook om te ondernemen. Ook hier is het noodzakelijk efficiënt om te springen met de kostbare ruimte. Dat betekent ook dat afstanden kort gehouden worden wat de mobiliteit ten goede komt, zowel voor werknemers als toeleveranciers. Ook de voorkeur voor lokale producten en bedrijven draagt bij tot verantwoord ondernemerschap. Door samen te werken en infrastructuur te delen kunnen ondernemingen elkaar versterken.

Het toerisme moet de hele stad ten goede komen. Het mag niet beperkt worden tot de gouden driehoek, maar de hele stad, van Zeebrugge tot Assebroek moet kunnen meeprofiteren van deze Brugse sterkte. Door in te zetten op ecotoerisme, betere informatieverstrekking aan toeristen en duurzame transportmiddelen wordt de impact ervan op mens en milieu beperkt.

3 prioriteiten

Jonge ondernemers

We willen ondernemende jongeren steunen met onder meer een starterscentrum en steunmaatregelen voor ecologische projecten.

Bereikbaarheid

Een compacte stad betekent een vlottere mobiliteit. Door ruimte efficiënt te gebruiken en afstanden te beperken besparen we op tijd, brandstof en uitstoot.

Groene economie

De economie van de toekomst is groen. Brugge mag deze trein niet missen en moet het bedrijven gemakkelijk te maken te verduurzamen.

Actiepunten

Werk

  • Brugge moet de economie van de nabijheid ondersteunen en bedrijven stimuleren om maximaal in te zetten op werknemers die dichtbij wonen. Niet-vervuilende bedrijven met veel werknemers worden uitgenodigd zich centraal te vestigen, in de nabijheid van knooppunten van openbaar vervoer. Ten Briele is hiervoor bijzonder geschikt.
  • Discriminatie bij aanwervingen wordt bestreden. Hierrond worden informatiecampagnes opgestart.
  • Een stadsbestuur met Groen aan zet zal jobs voor etnisch-culturele minderheden stimuleren door middel van diversiteitsclausules in overheidsopdrachten, door met het eigen personeelsbestand het voorbeeld te geven en door middel van gerichte initiatieven rond allochtoon ondernemerschap.
  • Uitzendkrachten dienen als redmiddel in nood, niet als gemakkelijkheidsoplossing.
  • Brugge probeert bedrijven aan te trekken die inzetten op groene jobs. Dit kan gaan van de windenergiesector tot grafische ontwerpers.
  • Laagopgeleiden krijgen kansen door het stimuleren van de sociale economie.
  • De stadsdiensten worden voorzien van faciliteiten voor fietsers: overdekte fietsenstallingen, douches, een plaats om regenkledij te drogen...

Haven

  • De bereikbaarheid van de haven moet beter, vooral per fiets en met het openbaar vervoer.
  • Groen kiest voor een duurzame ontsluiting van de haven door middel van het spoor en kustvaart.
  • Ook in de haven wordt ruimte schaars. Daarom moet de beschikbare ruimte efficiënt gebruikt worden. Zo kunnen de enorme autoparkings in verdiepen opgedeeld worden zoals Mercedes dat nu reeds doet.
  • Brugge moet streven naar een gezond evenwicht tussen industrie- en logistieke functies in de haven.
  • De haven is nu in grote mate een importhaven. Schepen die uit Zeebrugge vertrekken zijn meestal leeg. Zeebrugge kan inspelen op een opkomende cradle to cradle / recyclageindustrie en kan een nieuwe groene industrie op gang trekken met export van gerecycleerde grondstoffen van de toekomst.
  • De haven van Zeebrugge moet nog meer een energiehaven worden. Zoveel mogelijk ruimte moet er worden benut voor het opwekken van groene stroom. Dat kan met zonnepanelen (boven autoparkings, bedrijfsgebouwen...) en windenergie, maar er kan ook geëxperimenteerd worden met getijden- en golfslagenergie...
  • Zeebrugge moet niet trachten te concurreren tegen grotere havens als Rotterdam en Antwerpen, maar moet constant niches zien te vinden waarin het zich kan specialiseren en innoveren. Enkel zo kan een duurzame economie tot stand komen.

Ruimte om te ondernemen

  • Voor de binnenstad wordt een kwartierenplan opgemaakt. Per stadskwartier worden de huidige sterktes geanalyseerd en versterkt. De kwartieren kunnen elk op zich een aantrekkingsmiddel zijn voor Brugge bij nichepublieken. Zo is er volgens ons niets mis met de vele chocoladewinkels in de Katelijnestraat. Deze buurt kan uitgespeeld worden als het chocolade- en snoepkwartier. Sint-Jakobsstraat en Ezelstraat kunnen uitgroeien tot alternatieve winkelbuurt, Geldmuntstraat en Noordzandstraat tot modebuurt, enzovoort.
  • Vooraleer nieuwe bedrijfsruimte aan te snijden wordt de huidige leegstand aangepakt. Ruimte op industriegebieden moet efficiënter gebruikt worden.
  • Stad Brugge moet wisselwerking coördineren tussen bedrijven met gerelateerde functies. Zo kunnen een drukkerij, kantoren voor grafische bureau's en een papierhandel elkaar van dienst zijn en efficiënter samenwerken. Er wordt bespaard op transport en energie.
  • Bedrijventerreinen worden ingericht volgens een vervoersplan. Openbaar vervoer en fietsinfrastructuur vormen de ruggegraat.
  • Voor kleinschalige bedrijven die geen overlast veroorzaken gaat de voorkeur uit naar inbreiding. Oude sites kunnen nieuw leven ingeblazen worden, een mix tussen woon- en werkfunctie kunnen wijken doen bruisen.

Ondernemen

  • De stad maakt werk van een broedplaats voor creatieve starters: geen duffe kantoortjes op een industrieterrein maar een inspirerende plek in de binnenstad waar ondernemers uit verschillende sectoren aan kruisbestuiving kunnen doen. Dit kan in de vorm van kantoordelen (coworking) en ateliers voor ambachten.
  • Er wordt een fonds opgericht voor ecologisch verantwoorde projecten. Hier kunnen bedrijven aankloppen voor een goedkope startlening voor innovatieve eco-projecten.
  • Brugge maakt werk van open data. Zo veel mogelijk databases worden via internet ter beschikking gesteld voor ontwikkelaars van websites en apps.
  • Het aanspreekpunt waar starters kunnen aankloppen met vragen over een geschikte locatie, steunmaatregelen,... is onvoldoende gekend. Over de functie van de ambtenaar Lokale Economie wordt beter gecommuniceerd naar ondernemers. De ambtenaar Lokale economie moet ook bemiddelen tussen verschillende stadsdiensten zodat ondernemers op één punt terecht kunnen met al hun vragen.
  • De dienst lokale economie moet zelf ondernemers warm maken om naar Brugge te komen. Voor plaatsen met langdurige leegstand gaat de stad zelf op zoek naar oplossingen.
  • Reglementering voor ondernemers in de deelgemeenten wordt op sommige vlakken minder streng dan in de binnenstad, zoals op vlak van publiciteit en belettering.
  • De regels voor het plaatsen van blikvangers (bv. vouwplakkaten) op de stoep voor handelszaken worden versoepeld. Zolang het voorwerp de voetgangers niet hindert, moet creativiteit meer kansen krijgen. Ook logo's aan ramen op bovenverdiepingen van winkels moeten kunnen.
  • Brugge ondersteunt zelfstandige buurtwinkels. In alle deelgemeenten en dorpskernen worden handelskernen gestimuleerd. Nieuwe shoppingcenters en baanwinkels krijgen in Brugge geen plaats. 
  • Een groen beleid ondersteunt en organiseert korte logistieke ketens tussen producent en consument en vervult een voorbeeldrol in zijn aankoopbeleid door te kiezen voor producten die dichtbij werden geproduceerd.
  • Brugge moet zijn huidige sterktes uitspelen. o.a. de zorgsector, grafische sector, toerisme...
  • In Brugge is veel kennis over toerisme aanwezig. Opleidingen, bedrijven, horeca... kunnen aan kruisbestuiving doen, op elkaar inspelen en ervoor zorgen dat Brugge hét Belgische kenniscentrum rond toerisme wordt. Waarom geen museum van toerisme in Brugge?
  • Voor de kantoren van het cultuurcentrum in de Sint-Jakobsstraat wordt een andere locatie gezocht. De vrijgekomen ruimte wordt ingericht tot kleinschalige winkeltjes voor startende creatieve handelaars die gedurende een beperkte termijn aan goedkope prijzen verhuurd worden. Dit kan helpen de markt met te dure handelspanden af te koelen en jonge ondernemers de kans te geven ervaring op te doen en een zaak op te bouwen.

Horeca

  • Publieke ruimte kan ingericht worden in samenspraak aanwezige horeca. Terrassen kunnen op een gezellige manier op de pleinen en straten geïntegreerd worden.
  • De stad communiceert beter met horecazaken over toekomstige evenementen zodat er beter op ingespeeld kan worden.
  • Horecazaken worden aangemoedigd lokale-, fair trade en bioproducten in hun aanbod op te nemen. Ook vegetariërs moeten in Brugge voldoende hun gading kunnen vinden.

Landbouw

  • Stad Brugge organiseert samenwerking tussen landbouwbedrijven voor het opwekken van groene energie.
  • Er wordt een wekelijkse boerenmarkt georganiseerd waar lokale landbouwers hun producten rechtstreeks aan de man kunnen brengen.
  • Landbouwtoerisme wordt gepromoot, gecombineerd met fietstoerisme.
  • Kringloopboerderijen, boerderijen die hun afvalstoffen hergebruiken, worden gesteund. 
  • Land- en tuinbouwers worden financieel ondersteund bij het overschakelen naar bio en/of diervriendelijker telen, bioboerderijen en -tuinbouwbedrijven worden in de kijker gezet.

Toerisme

  • De Bruggeling wordt uitgenodigd zelf de toeristische troeven van zijn/haar stad te ontdekken.
  • Toerisme moet hele stad ten goede komen. Het idee van de gouden driehoek is goed voor dagjestoeristen, voor verblijfstoeristen valt er in Brugge veel meer te ontdekken. De omgeving van de goudendriehoek kan zo ontlast worden, de handel en horeca in de hele stad zullen hier baat bij hebben.
  • Middelen voor toerisme worden op een rechtvaardige manier verdeeld tussen Brugge stad, polders en kust.
  • Brugge fietsstad moet fietstoerisme promoten.
  • Met taxifietsen wil Groen een nieuw ecologisch transportmiddel in Brugge introduceren. Ook voor Bruggelingen moeten die interessant gemaakt worden.
  • Er worden themawandelingen uitgestippeld met zichtbare markeringen op straat.
  • Brugge participeert niet meer in luchthaven Oostende, wel willen we ijveren voor betere treinverbindingen van en naar het buitenland.
  • Brugge promoot hotels en b&b's die zich inzetten voor ecologisch toerisme.
  • Toeristische bezienswaardigheden worden met kleine, visueel niet storende wegwijzers bewegwijzerd.
  • De toeristische dienst moet ten dienste staan van lokale privé-initiatieven.
  • Brugge moet niet concurreren met andere Belgische kunststeden, maar gaat net samenwerkingen aangaan.
  • Er wordt een geschikte locatie gezocht voor een extra kampeerterrein, vlot bereikbaar met het openbaar vervoer. Hier moet ook ruimte voorzien worden voor kampeerwagens. 
  • De rederijen die de rondvaarten op de reien uitbaten, moeten op termijn overschakelen naar elektrische boten.
  • Op de Langerei wordt waterrecratie uitgebouwd met roeibootjes en waterfietsen.
  • Zeebrugge kan niet concurreren op vlak van klassiek strandtoerisme met andere badsteden. Wel kan het zich onderscheiden met zijn uiterst ruime strand om evenementen te organiseren, sporttoernooien, vliegerwedstrijden, concerten en ander recreatieve evenementen die de weidsheid van het strand benutten.

stadsbeleid

De gemeenteraad als hart van de lokale democratie

Niemand wordt op dit moment wild van de gemiddelde agenda van de gemeenteraad. Goedkeuringen, aanpassingen, kennisnames… De rest van de agenda bestaat verder uit technische punten die meestal zonder boe of ba worden goedgekeurd (unaniem of meerderheid tegen oppositie). Daarbij heeft de oppositie nooit het gevoel dat er met haar rekening wordt gehouden en is ook de toegang tot de informatie uiterst beperkt. Meerderheidsraadsleden krijgen dan weer gemakkelijker informatie, maar moeten zich op de zitting vooral beperken tot stemmachinegedrag. Betrokken burgers hebben zelden het gevoel dat hun vragen worden aangekaart door raadsleden, als dat nodig is tegen het college van burgemeester en schepenen in. Al te vaak is het debat op de gemeenteraad een non-event. Nochtans is de gemeenteraad het beleidsbepalend orgaan van een gemeente stad) én de plaats bij uitstek om een langetermijnvisie uit te stippelen.

Aan visievorming wordt echter nauwelijks of niet gedaan op de gemeenteraad. Hoogstens wordt aan crisisremediëring gedaan.

Jammer genoeg is dit ten dele een probleem van wetgeving. Een regelgeving (verloning, politiek verlof, ondersteuning, sociaal statuut…) die (semi-)professionele schepenen en burgemeesters creëert en raadsleden behandelt als vrijwilligers, mag nog zoveel goedbedoelde regels over rechten van raadsleden bevatten, ze zal altijd haar doel missen.

Willen we mensen opnieuw betrekken bij het beleid, dan moeten we de gemeenteraadszittingen en alles wat daarmee verbonden is (commissievergaderingen, plaatsbezoeken, infomomenten…) opnieuw maken tot wat ze in essentie zouden moeten zijn: de hoeksteen van de lokale democratie. Dat dit geen evidentie is binnen het huidige wettelijke kader, waarbij de focus sterk op het college van burgemeester en schepenen ligt, spreekt voor zich.

Aan het regelgevende kader kunnen we echter weinig veranderen, maar we kunnen wel minstens de lokale positie van de raadsleden maximaal versterken: door hen alle nodige faciliteiten en toegang tot informatie te geven en te zorgen voor bijkomende ondersteuning, zodat de combinatie met job en privéleven haalbaar(der) wordt, door aan te dringen op een bevattelijke manier van informeren en vooral: door de gemeenteraad de rol te laten spelen die ze zou moeten spelen, die van beleidsbepaler en niet van stemmachine. Enkel op die manier kunnen we ook mensen blijven warm maken voor een plek in de gemeenteraadszaal: als verkozene of als betrokken burger.

Daarnaast willen we van de gemeenteraad de motor van burgerparticipatie maken (zie ‘Participatie in Brugge’) en ervoor zorgen dat zowel de raadsleden als de burgers steeds over alle mogelijke informatie beschikken om hun rol op een goede manier te kunnen spelen. Dit moet leiden tot een breed volksdebat dat écht en op een gefundeerde manier wordt gevoerd.

Het voorgaande, onder meer de verdeling van de bevoegdheden tussen college en gemeenteraad, kan voor een deel gerealiseerd worden door de toepasselijke wetgeving te veranderen. Dat kan niet op het lokale niveau. Groen kan er als partij wel aan meewerken op het Vlaamse niveau. We moeten ook alle raadsleden maximaal ondersteunen in de toegang tot documenten en de kostenvergoedingen (vorming, verplaatsingen, kinderopvang, apart lokaal met alle mogelijke faciliteiten, een fractiemedewerker en fractiesecretariaat ter beschikking stellen) en vooral: door hen eigen verantwoordelijkheden te geven in de uitwerking van beleid.

Onze voorstellen: een oppositieraadslid als voorzitter van de gemeenteraad, een budget voor de uitwerking van het beste project ingediend door een raadslid, verantwoordelijkheid in de dialoog met burgers, dialoogmomenten met burgerinspraak op momenten dat dit mogelijk is voor de betrokkenen, en vooral: een agenda die ruimte laat voor debat, participatie en grote lijnen, en waarbij kleine, technische zaken zo veel mogelijk worden gedelegeerd naar het college.

Participatie

Het huidige stadsbestuur van Brugge organiseert heel wat infovergaderingen en andere zogenaamde
inspraakmomenten voor de burgers. Het gaat hier echter meestal om dossiers waarin de principiële beslissing al is genomen, en waarbij de burgers vooral worden geïnformeerd over het verdere verloop van het dossier. Daarbij is er weliswaar ruimte voor vragen en opmerkingen, maar daarmee wordt in het verdere verloop van het dossier zelden veel rekening gehouden. Dezelfde lijn wordt ook aangehouden in Bruggespraak, het stedelijke informatieblad.

Daarnaast blijkt uit steeds meer dossiers dat vaak dezelfde kritiek opduikt na de beslissing van het stadsbestuur: betrokken belangengroepen, adviesraden of partijen klagen steevast over het feit dat ze niet gehoord werden en/of dat er met hun opmerkingen geen rekening werd gehouden. Het stadsbestuur heeft duidelijk een probleem met het correct toepassen van de basisprincipes van participatie.

Opvallend is dat het stadsbestuur vaak karig, onduidelijk of onnauwkeurig is met cijfers. Elke burger heeft recht op juiste en volledige informatie, ook al komt het stadsbestuur niet zo goed uit deze gegevens.

Groen Brugge wil de Bruggeling maximaal en vanaf een vroege fase betrekken bij het bestuur van de stad. Daarbij zal naar innovatieve manieren (ook multimediaal) gezocht worden, zonder de kern te vergeten: vroeg betrekken, voortdurend en volledig communiceren, voorstellen van het bestuur aftoetsen en maximale uitvoeringsverantwoordelijkheid geven aan burgers, buurtcomités, verenigingen…

Groen wil participatie in de breedste betekenis. Dit betekent dat ook de bestuurlijke besluitvorming en openbaarheid van bestuur de nodige aandacht moeten krijgen. Groen Brugge wil van de gemeenteraadszittingen opnieuw een kernpunt van democratische besluitvorming maken. Dat is onlosmakelijk verbonden is met de organisatie van andere vormen van participatie (zie programmapunt ‘Bestuurlijke vernieuwing’).

We moeten dringend afstappen van de verouderde visie op participatie: hoorzittingen, verzoekschriften, volksraadplegingen… De burgers moeten op een modernere manier worden gemotiveerd om deel te nemen aan het beleid. De inzet van sociale media kan daarbij een hulpmiddel zijn, maar belangrijker is dat ‘coproductie’ het sleutelwoord wordt: niet enkel vaste momenten van inspraak of een passieve houding van het bestuur, maar een echte wisselwerking tussen burger en bestuur. De stem van de burger is een unieke kans om te komen tot een breed gedragen, afgewogen en onderbouwd beleid.

De ‘wijkbudgetten’ vormen een ideaal instrument om vanuit een bepaalde aan het bestuur gesignaleerde problematiek of opportuniteit (de verfraaiing van buurt x, overlastbestrijding in straat y, jeugdwerking in wijk z) maximaal in te zetten op het initiatief van (groepen van) burgers, zonder dat het bestuur tussenkomt in de uitwerking (er is uiteraard wel controle op de wettelijkheid en gedragenheid van een bepaald voorstel).

Ook de oprichting van coöperatieven (bijvoorbeeld voor de productie van hernieuwbare energie) of eender welk initiatief van burgers met als doel een verbetering van het sociale weefsel van een buurt of de stad, met een ecologische meerwaarde, een duurzaam karakter, etc.1 moet maximaal ondersteund worden.

Verder wil Groen Brugge de rol van de adviesraden en de vertegenwoordiging van het middenveld of de burgers in (semi-)gemeentelijke vzw’s of extern verzelfstandigde agentschappen van de gemeente opwaarderen.
Burgers die zich willen engageren om in adviesraden en gemeentelijke organen te zetelen, moeten daar de meerwaarde van kunnen inzien, zo niet verliezen we steeds meer gemotiveerde mensen.

Mee met de tijd van vandaag wordt voorzien in interactieve inspraakmogelijkheden.

Participatie gaat verder dan het nemen of laten nemen van bepaalde initiatieven, maar slaat ook op het stimuleren van sociale participatie. Een beleid dat ook aandacht besteedt aan kansengroepen en de activering ervan op maatschappelijk vlak is dan ook essentieel.

Tot slot willen we nog het belang van een open, heldere en tijdige communicatie en van een duidelijke planning benadrukken, zowel op het vlak van burgerparticipatie als daarbuiten. Het succes van eender welk project hangt samen met de manier waarop, hoe en wanneer dit wordt vertaald.
Daarbij moet de voortgang van een bepaald traject volgens een vooraf bepaalde timing en planning worden bewaakt. Daarnaast is het van essentieel belang dat een bestuur voorstellen voorlegt op basis van correcte cijfergegevens, die het mogelijk moeten maken een correcte inschatting te maken van eender welk dossier of participatietraject.

Bij wijze van uitsmijter willen we nog meegeven dat dit alles samenhangt met een erkenning van elke speler in zijn/haar rol: burgers weten vaak beter dan wie ook wat er leeft in hun buurt. Lokaal overheidspersoneel kan dit perfect vertalen naar de juridische en administratieve realiteit. De lokale verkozenen hakken de knopen door. Burgerinbreng verdient bovendien steeds de voorkeur boven duur consultancyadvies.

sociaal beleid

Meer dan 1 op de 10 mensen in Vlaanderen leeft met een armoederisico. Zowat 150.000 kinderen in Vlaanderen leven in armoede.

Armoede is niet enkel een kwestie van inkomen. Armoede bestaat uit allerlei vormen van sociale uitsluiting in verschillende levensdomeinen: onderwijs, werk, vrijetijdsbesteding, huisvesting en gezondheid...

Armoede is een onrecht.

Groen pleit voor een breed sociaal beleid met een toegankelijke dienstverlening.

Dit komt niet alleen tot uiting in een leefbaar inkomen, maar ook een betaalbare huisvesting (zie hoofdstuk WONEN), een goede gezondheid, op het vlak van onderwijs en kinderopvang, op het gebied van ouderenbeleid, in een kwaliteitsvolle vrije tijdsbestedling, werk- en welzijnstrajecten op maat, het wegwerken van schulden en energiearmoede en een uitgebreid zorgaanbod.

3 prioriteiten

Groen kiest resoluut voor een coherent armoedebeleid, met de hoofdrol weggelegd voor een voldoende autonoom OCMW, waarbij samenwerking en coördinatie met de stad van zeer groot belang zijn.

 

Groen gaat voor een hulpverlening die zelfredzaamheid stimuleert.

Tevens wordt extra ingezet op het wegwerken van wachtlijsten voor schuldbemiddeling en budgetbeheer, en wordt op een proactieve manier werk gemaakt van schuldpreventie.

 

Het OCMW maakt de curatieve en preventieve gezondheidszorg toegankelijker door middel van een buurtgerichte aanpak en met wijkgezondheidscentra. Wat onder "wijkgezondheidscentrum" wordt verstaan, wordt hieronder toegelicht.

Actiepunten

Het OCMW bewaakt de uitvoering van een sterk luik sociaal beleid binnen de meerjarenplanning. Dit luik vertrekt van een goed onderbouwde analyse op basis van een gemeentelijke sociale kaart, een armoedebarometer en een analyse van de zorgnoden.
Het plan vermeldt concrete doelstellingen en verbindt daar budgetten aan. Het legt afspraken vast voor de samenwerking tussen gemeenten, OCMW en externe partners.

 

Stad en OCMW blijven druk uitoefenen op de federale overheid om de minimumuitkeringen boven de armoedegrens te tillen.

In afwachting voorziet het OCMW in aanvullende steun bovenop het leefloon, de Inkomensgarantie voor Ouderen(IGO), het pensioen of de werkloosheidsuitkering: huur- en verwarmingstoelages, bijpassingen voor medische kosten, schoolkosten of duurzame en eenmalige uitgaven en dit tot op het niveau van de budgetstandaard (de budgetstandaard is het wetenschappelijk berekend bedrag dat een gezin nodig heeft om op een minimaal aanvaardbare manier te kunnen participeren aan de samenleving).

 

Groen gaat voor een hulpverlening die zelfredzaamheid stimuleert.

Het OCMW verduidelijkt de keuzemogelijkheden die iemand heeft en de grenzen die beide partijen moeten respecteren.

Het OCMW ontwikkelt een integraal begeleidingstraject op maat, dat inzet op alle relevante levensdomeinen en niet alleen op werk.

De stad stimuleert en promoot sociale economie en biedt voldoende sociale werkplaatsen aan.
De stad en het OCMW zorgen voor voldoende werkervaringsplaatsen, ook voor jongeren die deeltijds studeren met omkadering door een mentor.

Het OCMW verleent eerstelijnsrechtsbijstand aan de kwetsbaarste groepen, hetzij rechtstreeks, hetzij via de Commissies voor Juridische Bijstand.

Het OCMW zet maximaal in op het wegwerken van wachtlijsten voor schuldbemiddeling en budgetbeheer, en doet op een proactieve manier aan schuldpreventie.

 

Op het vlak van onderwijs wordt de kosteloze toegang tot het onderwijs gegarandeerd en wordt actief ingezet op de dialoog tussen onderwijs, OCMW en ouders in armoede zodat zij volwaardig worden betrokken bij de school. Dit moet sociale uitsluiting vermijden.

 

Het OCMW hanteert een specifieke aanpak om jongeren en jongvolwassenen op maat te begeleiden.


Het afsluiten van elektriciteit/aardgas of de plaatsing van budgetmeters zonder minimumlevering vermeden.
Het OCMW voorziet in een minimumregeling voor aardgas en vordert de kosten voor de minimumregeling zoveel mogelijk terug bij de netbeheerders (dit kan tot 70 %).

 

Groen vraagt voldoende aandacht voor nieuwkomers in de gemeente, en pleit voor interculturele bemiddeling in het OCMW.
Het personeelsbestand van de Stad en van het OCMW moet de bevolkingssamenstelling correct weerspiegelen.

 

Het OCMW is ook de toegangspoort tot zorg. Daarin speelt het zowel de regierol als een actieve rol als aanbieder van zorg.

Het OCMW maakt de curatieve en preventieve gezondheidszorg toegankelijker door middel van een buurtgerichte aanpak en met wijkgezondheidscentra. Een wijkgezondheidscentrum heeft tot doel laagdrempelige eerstelijnsgezondheidszorg aan te bieden door een multi-disciplinair team (dokter, kinesist, tandarts, psycholoog...) aan de meest kwetsbaren. Tegelijk biedt het de mogelijkheid om preventief te werken en kwaliteitsvolle informatieverstrekking en doorstroming uit te bouwen in samenwerking met de Stad, het OCMW en eventuele andere partners.

Een wijkgezondheidscentrum werkt met een forfaitair systeem waardoor de zorgbehoevende niets hoeft te betalen voor de door het centrum verstrekte zorgen, mits hij/zij in het centrum is ingeschreven. Het is de mutualiteit die maandelijks een vast bedrag betaalt en dit per ingeschreven patiënt. Een dergelijk betalingssysteem biedt het wijkgezondheidscentrum tegelijk de mogelijkheid om ook binnen het preventief gezondheidsbeleid actief te zijn.

Het OCMW zorgt voor kwaliteitsvolle, correcte en aan de doelgroepen aangepaste informatieverstrekking over gezondheidszorg, het OMNIO-statuut en dergelijke meer.
Het OCMW stimuleert samenwerking tussen eerstelijnsactoren en ruimt administratieve hinderpalen uit de weg.

 

Stad en OCMW dragen er zorg voor dat ouderen zo lang mogelijk in de eigen buurt kunnen blijven wonen en voeren een proactief beleid om vereenzaming van ouderen tegen te gaan.

Stad en OCMW voorzien in daklozenopvang en –begeleiding.

Er wordt voorzien in ruimte voor een woonwagenpark.

 

Groen kiest daarbij voor een buurtgebonden aanpak, met integrale wijk- en buurtcentra.

Op het vlak van ouderenzorg dient voorzien te worden in een permanentiedienst in het lokaal dienstencentrum,waar ook een laagdrempelig buurtrestaurant is gevestigd.
In het lokaal dienstencentrum worden vraag en aanbod van mantelzorg op elkaar afgestemd.

 


Het OCMW zorgt er samen met de Stad en externe partners voor dat ook mensen in armoede op een zinvolle manier aan vrijetijdsbesteding, cultuur en sportbeleving kunnen doen.

cultuur & vrije tijd

Cultuur

De voorbije 18 jaar investeerde Brugge veel in cultuur. Het Concertgebouw, Brugge 2002, de uitbouw van de bibliotheek… Na 2012 dreigen een aantal subsidies te verdwijnen. Groen pleit voor het op niveau houden van het cultuurbudget in Brugge. Maar het is ook belangrijk dat het culturele veld zelfkritisch is en de dialoog aangaat met de bevolking. Zo kan het draagvlak voor cultuur behouden blijven. Het is voor de geloofwaardigheid van het culturele veld in Brugge ook belangrijk dat het sterker en transparanter wordt beheerd. Het initiatief van de stad mag de spontane organisaties niet wurgen.

De investeringen in cultuur hebben geleid tot een hoge kwaliteit, vooral inde receptieve cultuur. In de volgende legislatuur kan er een sterke inhaalbeweging komen in de creatie. Ook op het vlak van jongerenculturen kan er nog veel gebeuren. Daarnaast moet Brugge waken over een juiste verhouding tussen cultuur en toerisme. Vanzelfsprekend zijn er bepaalde raakvlakken tussen beide en zorgt een sterk cultuuraanbod voor veel synergiën op andere vlakken, maar cultuur mag geen economische finaliteit hebben.

Tegen 2018 moet Brugge een kwalitatief hoogstaand cultureel aanbod hebben voor elke bevolkingsgroep. Daarbij wordt telkens opnieuw gezocht hoe alle Bruggelingen zoveel mogelijk bereikt kunnen worden. Daarnaast krijgen creatievelingen mogelijkheden aangereikt en worden ze ondersteund bij het zoeken naar een publiek.

Het Concertgebouw moet blijvend zoeken hoe meer Bruggelingen en jongeren kunnen worden bereikt. Open publieksdagen en een zomerse buitenprogrammatie voor scholen kunnen hiertoe bijdragen. Groen pleit voor een erkenning van het Concertgebouw als groot Vlaams cultuurhuis. Dit kan de transparantie van de financiering versterken.

De musea hebben de voorbije jaren een inhaalbeweging gemaakt op het vlak van profilering. Enkel voor het Hospitaalmuseum kan nog een duidelijker profiel gezocht worden.

Door het Groeningemuseum uit te breiden kan bij tentoonstellingen de permanente collectie toegankelijk blijven voor het publiek.
Ook zou het een goede zaak zijn als er een kwalitatieve ruimte wordt gecreëerd voor exposities van hedendaagse kunst. Dit dient te gebeuren op een herkenbare plaats in de binnenstad en met een duidelijk profiel voor de buitenwereld.

Voor de aankoop van kunstwerken voor publieke plaatsen moet een onafhankelijke commissie in het leven geroepen worden.

De start van Radio Villa Bota was succesvol. Veel Brugse jongeren vonden er hun plek met kwalitatief hoogstaande radioprogramma’s in een grote waaier van genres. Nu moet het initiatief een breder publiek krijgen. Een (gedeelde) fm-licentie kan hier zeker een mogelijkheid zijn, evenals synergieën met allerlei andere cultuurevenementen, bijvoorbeeld het Cactusfestival of Elements.

Pole Pole moet in Zeebrugge kunnen blijven. Dat betekent dat er tot 4 uur muziek kan worden gemaakt en dat er een goede samenwerking is tussen organisatoren en stadsdiensten.

Het Entrepot stelt zijn zalen op een goedkope en laagdrempelige manier ter beschikking van de Brugse verenigingen, waardoor deze bij een gedurfde programmatie geen zware financiële gevolgen hoeven te vrezen. Ook kan het Entrepot creatieve jongeren begeleiden in het productieproces en op hun zoektocht naar publiek.

Cactus is op zoek naar een kleinere zaal. De sfeer van de oude Cactusclub in de St-Jacobsstraat is nooit echt teruggekomen. Daarom pleit Groen voor een kleine concertzaal in het centrum van Brugge, bijvoorbeeld in het Albertpark naast het Concertgebouw. De aanwezigheid van een goede muziekclub in de binnenstad kan allerlei prettige neveneffecten hebben voor de levendigheid van de stad.

De voorbije 6 jaar was er de opkomst en soms helaas ook neergang van spontane initiatieven als Eye Spy, Heas High en Suburb Sounds. Voor dergelijke organisaties, die soms snel en doeltreffend inspelen op nieuwe muzikale trends, moet het mogelijk zijn op een goede manier te programmeren, zodat ze minder financiële risico’s lopen.

Een kleine muziekclub in de binnenstad kan de Magdalenazaal meer vrijmaken aan betere voorwaarden.

Een sterke wijkwerking blijft noodzakelijk en mag, wat Groen betreft, versterkt worden. Zeker voor meer afgelegen plaatsen als Zeebrugge, Lissewege, Zwankendamme en Dudzele moet een sterke wijkwerking voor een goede cultuurparticipatie zorgen. Ook de wijkwerking in St-Jozef verdient het om nieuw leven te worden ingeblazen.

Klinkers mag uitbreiden naar een zomerfeest dat de hele stad in beslag neemt met straattheater en andere straatkunsten, een cultuurdomein waarvan in Brugge helaas nog te weinig te zien is.

Onze tijd wordt gekenmerkt door een verregaande digitalisering. Dat heeft gezorgd voor nieuwe cultuurvormen, een democratisering van creatiemogelijkheden en bijkomende mogelijkheden voor het bereiken van publiek. Door een frisse wind in de cultuurwerking kunnen er ondersteunende platforms worden aangeboden of een website waarop lokale artiesten gegroepeerd hun werk kunnen presenteren.
Communities kunnen artiesten samenbrengen, of vraag en aanbod van cultuuruitingen op elkaar afstemmen.
Ook het waardevolle stadsarchief dient versneld te worden gedigitaliseerd en toegankelijk gemaakt via internet. Dit wordt een grote en arbeidsintensieve taak, die extra middelen zal vergen.

Onroerend erfgoed

Brugge is een erfgoedstad. En daar zijn we als Bruggelingen fier op. En terecht.
Groen beschouwd ons onroerend erfgoed in de eerste plaats als een geschenk, en dus als iets wat we met z’n allen moeten koesteren. Toch wordt het her en der bedreigd en moeten we er op toezien dat er geen waardevolle panden verloren gaan.
De felbesproken Unesco-titel van Werelderfgoedstad beschouwt Groen Brugge in eerste instantie als een eretitel en een kans. Het is de kans om zeer hoge eisen te stellen aan nieuwe architectuur.
Dit hoeft niet te betekenen dat er een stolp over Brugge wordt geplaatst. Het is een uitnodiging om enkel met het beste content te zijn.
Nieuwe architectuur kan dus in Brugge, maar niet ten koste van waardevol erfgoed.

Het beleid op het gebied van het onroerend erfgoed wordt vooral centralistisch gevoerd, op Vlaams niveau dus. Er is veel te weinig samenwerking met de steden en gemeenten. Sinds enkele jaren bestaan er wel enkele intergemeentelijke archeologische diensten, maar dat is slechts een begin. Wij bepleiten een veel grotere lokale rol. Het wordt dan echteen thema in de lokale politiek.

Een sterkere lokale inbedding kan helpen om het grootste probleem te verhelpen: het gebrekkige draagvlak voor erfgoed. Nog te weinig mensen hebben respect voor de waarde en kwaliteit van ons bouwkundig erfgoed.

Bevoegdheden in het kader van de inventaris van het bouwkundig erfgoed: straks zal de gemeente autonoom kunnen beslissen over werken aan en sloping van gebouwen op die lijst. Dat wordt de eerste toetssteen voor een echt lokaal beleid.
Een hedendaagse omgang met het eigen gemeentelijk erfgoed: een groot respect voor het object moet blijven, maar het moet kunnen worden ingezet voor hedendaagse functies en toepassingen. We moeten durven innoveren. Erfgoedzorg is een uiting van duurzaam beleid. Steden en gemeenten kunnen dat sterk stimuleren door een voorbeeldrol op te nemen.
Kerkelijk erfgoed: wordt een steeds grotere zorg. Bewaren is nodig, maar we mogen niet stilstaan. We moeten aan deze grote gebouwen – er komen er steeds meer vrij – een nieuwe waardevolle invulling geven. En de ingreep moet reversibel zijn. Een hedendaagse invulling is beter dan het gebouw te laten verloederen, te vernietigen of te ontkennen. We komen daar het beste toe in overleg met de kerkelijke instanties.

In het bijzonder zullen de komende jaren een aantal grote kloostercomplexen vrijkomen. Nagenoeg een vierde van de Brugse binnenstad is in eigendom van kloosterorden. Groen Brugge wil daarom dat
er een klooster en kloostertuinenplan wordt opgesteld. Deze kansen zijn goud waard voor Brugge. Zowel qua open ruimte (tuinen) in de binnenstad, als voor wonen en een mix van wonen en werk.
De stad moet hier vooruitziend op inspelen en vermijden dat deze complexen de speelbal worden van investeerders die enkel op geldgewin uit zijn. Indien dit goed wordt aangepakt, liggen hier mooie toekomstige ontwikkelingen in het verschiet.

noorden van Brugge

Wie nu naar Zeebrugge gaat, kan er niet naast kijken: opgesplitst in drie delen, leegstaande huizen en handelspanden, een haven met onbenutte mogelijkheden, een quasi verlaten uitgestrekt strand...

Wie in Zwankendamme woont, ligt wakker van vele vragen: hoe zit het met de uitbreiding van de haven, tot waar komt hij, wat met het derde en vierde spoor, zal straks geluidsoverlast mijn deel worden...?

En Lissegewe: straks nog bewoonbaar?

De stad moet haar inwoners inlichten. Zij hebben het recht te weten waar ze staan.

Maar weet het huidig stadsbestuur het zelf wel? Het lijkt alsof de stad het noorden van Brugge aan zijn lot overlaat, en zelf daarbij het noorden kwijt is...

 

3 prioriteiten

Het stadsbestuur moet een masterplan opmaken: in overleg met de bewoners de leefbaarheid van Zeebrugge, Zwankendamme, Lissewege en Dudzele veilig stellen en verhogen, zonder dat dit de haven en daarmee gepaard gaande werkgelegenheid in de weg staat; het uitgestrekte strand daarbij benutten voor unieke strandevenementen; het aanbod van het openbaar verhogen en verbeteren.

Breid de havenontsluiting uit door middel van het spoor en de estuaire vaart. Geen verbreding van het Schipdonkkanaal. Maak van Zwankendamme en Zeebrugge geen tweede Doel.

 

 

Laat de energie afkomstig van de windmolens in zee ondergronds gaan, zodat geen reusachtige terminal het landschap en de open ruimte onnodig inpalmt.

 

Actiepunten

Geef inspraak aan de bewoners.

Laat de bewoners van Zeebrugge, Zwankendamme, Lissewege en Dudzele zelf beslissen hoe hun buurt wordt ingericht via dorpsraden en wijkbudgetten.

Zij weten beter dan wie ook wat  er leeft en waar er nood aan is.

 

Leefbaarheid

Wil het noorden van Brugge  leefbaar zijn, dan moet er een voldoende aanobd van detailhandel (bakker, beenhouwer, buurtwinkel) zijn.

Dan moet een woonbuurt een plaats blijven om te wonen, niet de steeds kleiner wordende achtertuin van een zich uitbreidende haven.

Er moet een betere verbinding zijn met het openbaar vervoer, zowel wat betreft treinverbinding (zo is er in het weekend slechts om de 2 uur een trein) als wat betreft busvervoer.

En waarom geen tramverbinding Zeebrugge - Brugge?

Er is ook nood aan een betere dienstverlening door de stadsdiensten.

Verloedering mag geen kans krijgen: er dient vaker opgeruimd te worden en bij werkzaamheden moet er op toe gezien worden dat alles vlot verloopt en naderhand geen sporen nagelaten worden.

De jong(st)e bewoners moeten school kunnen lopen in de buurt waar zij wonen.

Noch het autoverkeer, noch het spoor mag leiden tot ene splitsing van Lissewege.

Er moet werk gemaakt worden van verkeersveiligheid. Een afgescheiden fietspad is daarbij noodzakelijk.

Het stadsbestuur moet 'neen' zeggen tegen de bouw van een Elia-terminal van 26 meter hoog en 250 meter lang. De energie afkomstig van de windmolens kan perfect ondergronds gaan.

 

Maak van de haven van Zeebrugge een unieke haven.

Zeebrugge biedt, als enige haven, toegang tot grote schepen.

Maar ook wat activiteit betreft, dient gekozen te worden voor unieke activiteiten, die tegelijk innovatief en duurzaam zijn.

 

Benut het weidse strand.

Het weidse strand van Zeebrugge kan benut worden voor unieke sportmogelijkheden, die op andere stranden niet kunnen.

De surfclub dient behouden te blijven.

Het strand is daarenboven meer dan groot genoeg om een afzonderlijke hondenhoek te creëren, zodat hondenliefhebbers ook tijdens de zomer met hun viervoeter het strand op kunnen.

 

Samengaan van haven en behoud van de natuur / open ruimte.

Wanneer de juiste keuzes worden gemaakt, kunnen leefbaarheid van de polderdorpen, toekomst van de haven en behoud van de natuur en open ruimte wel degelijk samen gaan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

jeugd

Kinderopvang en onderwijs

Groen Brugge pleit voor een duurzaam onderwijs waarin ieder leerling(e) een plek heeft. Het kwaliteitsvol onderwijs en kinderopvang speelt in op de behoeften van de jonge gezinnen.

Voor ieder kind een plek

  • De stad zorgt ervoor dat er voldoende aanbod aan onderwijs en kinderopvang is.
  • Een kindvriendelijke ruimte is een kwaliteitsvolle ruimte. Geef daarom voldoende ruimte aan onderwijs en kinderopvang. De stad durft te kiezen voor kinderopvang en onderwijs dat lokaal verankerd is. De stad richt zijn ruimte daarom zo in dat naast kindvoorzieningen ook andere voorzieningen (zoals een seniorenlokaal) mogelijk zijn. De stad richt peuterspeelpunten in, dit zijn opvoedings- en ontmoetingspunten waar ouders met hun kinderen kunnen samenkomen en elkaar ontmoeten.
  • Dankzij het verstandig invullen van de ruimte vermijdt men overlast. In ieder geval mag stemoverlast van kinderen niet als overlast gerekend worden.

Ontwikkeling van het kind staat centraal

  • Opvang en onderwijs is veel meer dan ergens onderdak geven. Voor kinderen en jongeren is het de basisgrondstof om zich een identiteit te vormen en zich volledig te ontplooien. Groen pleit er daarom voor om de brede school in het centrum van de duurzame, lokale samenleving te plaatsen.
  • De brede school is een draaischijf voor de buurt en ondersteunt zowel onderwijs als de lokale samenleving, ook na de schooluren en in de vakanties. Kinderopvang, lager onderwijs, buitenschoolse opvang, opvoedingsondersteuning, muziek- en computerinfrastructuur,… krijgen een plek in de brede school. 
  • De brede school die verankerd is in de buurt, geeft voorrang aan kinderen uit de buurt. Op die manier versterkt de school haar lokaal draagvlak en vormt ze ook een weerspiegeling van de buurt. 
  • Groen Brugge pleit voor een verdere integratie van kinderopvanginitiatieven en het kleuteronderwijs, waardoor kleine kinderen langer terecht kunnen in kleine groepen. 
  • Kwaliteit van de kinderopvang en het onderwijs staat voorop. De stad zorgt er daarom voor dat zowel de kinderopvang als het onderwijsaanbod aan de bestaande kwaliteitscriteria voldoen. Dankzij het kwaliteitsvolle onderwijs kan de stad schoolse achterstand preventief tegen gaan. De stad trekt de banden tussen kinderopvang, onderwijs en welzijn terug sterk aan. De buitenschoolse opvang wordt gekoppeld aan andere vrijetijdsactiviteiten. 
  • Daarnaast focust de stad ook op spijbelpreventie, taalstimulering en de aanleg van een stimulerende schoolomgeving. Hierdoor speelt de stad een belangrijke rol in de realisatie van betere onderwijskansen.
  • Betere onderwijskansen creëer je ook door de betrokken partijen aan het woord te laten. De stad richt daarom adviesraden in waarin zowel de school, de ouders als andere belangrijke partners samenwerken. 
  • Inclusief onderwijs wordt mogelijk gemaakt en gestimuleerd.

Diversiteit als belangrijke waarde

  • Diversiteit is een belangrijke waarde binnen onderwijs en kinderopvang. Het is daarom belangrijk dat de personeelsleden van zowel onderwijsinstellingen als van de kinderopvang die waarde in acht nemen. De stad doet aan sensibilisering en werkt daarvoor samen met verschillende lokale actoren.
  • Lokaal kinderopvangbeleid bewaakt de diversiteit van het aanbod. Zo zorgen inkomensgerelateerde dagprijzen en het voorzien van aparte subsidies ervoor dat elk gezin van het aanbod genieten. 
  • De combinatie arbeid / gezin speelt in vele gezinnen een belangrijke rol. Daarom zorgt de stad voor een infopunt over vraag en aanbod van opvangmogelijkheden. De stad spendeert bijzondere aandacht aan flexibele opvang.

ruimte

Groen Brugge wil investeren in een doordachte aanpak van een gezonde, leefbare en aangename leefomgeving. Dit omdat de ‘verstening’ steeds maar doorgaat en de open ruimte verloren gaat. Een duurzame ontwikkeling van onze stad begint bij een goede ruimtelijke ordening. Door efficiënt met ruimte om te gaan, kunnen we meer open ruimte behouden en tegelijk de vraag naar mobiliteit verkleinen. Door te werken aan de kwaliteit van de ruimte, streven we meteen ook naar een grotere kwaliteit van de ‘sociale’ ruimte!

Context Vlaanderen

De doelstellingen voor meer natuur, bos en groen uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) zijn helemaal niet gehaald. Harde functies halen de overhand. Zo is het streefcijfer in het RSV voor reservaat en natuur 150.000 hectare, terwijl we op 1 januari 2011 nog maar aan 125.700 hectare zaten. Nieuwe industriezones worden blijkbaar vlotter gevonden: sinds 1994 kwam er bijna 5.000 hectare industriegrond bij, ondanks de grote leegstand en onderbenutting op bestaande terreinen.
De verstening gaat met andere woorden door: elke dag gaat in Vlaanderen 7 hectare open ruimte verloren. De uitdaging is bovendien groter geworden omdat de bevolkingsprojecties wijzen op een sterke bevolkingstoename (en een nog sterkere toename van het aantal huishoudens door de doorzettende gezinsverdunning) de volgende 10 tot 20 jaar.

Een duurzame ontwikkeling van steden en gemeenten begint bij een goede ruimtelijke ordening. De laatste vijftig jaar is er een uitwaaiering van de Vlaamse steden en van Brussel aan de gang. Dat brengt veel mobiliteit met zich mee en verspilt te veel open en groene ruimte.

Groen kiest voor een ander model. ‘Het bord afvegen’ en vanaf nul een ideale ruimtelijke ordening uitbouwen kan niet. Maar we kunnen wel kiezen voor een duurzame transitie van de bestaande ruimtelijke structuren. Door steden en dorpskernen te versterken en efficiënt met ruimte om te gaan, kunnen we de open ruimte behouden en tegelijk de vraag naar mobiliteit verkleinen. We willen daarbij ook werken aan de kwaliteit van de ruimte: naast verdichten ook vergroenen; slimme allianties tussen landbouw, natuur en recreatie; meer ruimte voor water; een grotere kwaliteit van de publieke ruimte.

Context Brugge

Open, groene ruimte is een cruciaal onderdeel van een gezonde, leefbare en aangename leefomgeving. Eén van de grootse uitdagingen voor Brugge is het tegengaan van de jongerenvlucht. De woonbehoeftestudie die voorjaar 2011 voor onze stad werd gemaakt, stelt dat inzetten op een hoge kwaliteit van leven in Brugge mede deze trend kan keren. Voldoende open ruimte, bos en natuur, klein-groen op wandelafstand en groot groen op fietsafstand zijn elementen die de levenskwaliteit bepalen. Gezien de jongerenvlucht moet sterk ingezet worden op een degelijk en duurzaam beleid rond open ruimte.

Zomaar ‘open ruimte’?

Hoe meer open ruimte, hoe beter. Het zorgt er namelijk voor dat regenwater vastgehouden wordt en in de bodem kan dringen. Zo vermijden we overstromingen.
Het zorgt er ook voor dat planten en dieren de ruimte hebben om te leven. Biodiversiteit is belangrijk.

En het is ook ademruimte: even weg kunnen uit de drukte van de stad. Plaats om eens goed uit te waaien. Niets is aangenamer dan fietsen in de velden of een fikse wandeling in het bos.

Maar deze ruimte verdwijnt. Dit moet stoppen.

Koester onze open ruimte

De open ruimte die ons nog rest, moeten we bewaren. We moeten nadenken over andere manieren om ons wonen, leven en werken een plaats te geven.
Bouw niet in overstromingsgebied: geef water de ruimte die het nodig heeft.
Snijd geen ongerepte gebieden meer aan: zoek oplossingen voor wonen en werken binnen de bestaande gebieden (kernversterking).
Pak leegstand aan, zowel van gebouwen als van bedrijventerreinen. Hef een belasting op leegstand en verwaarlozing.

De tijd van ‘snij maar een nieuw stuk grond aan’ is voorbij. Stop met het aantasten van de open ruimte: het is tijd voor verstandig ruimtegebruik.

Groen hecht heel veel belang aan open, groene ruimte als cruciaal onderdeel van een gezonde, leefbare, aangename leefomgeving. De open ruimte staat echter meer dan ooit onder druk.

Voorstellen

Uitgangspunten voor het lokaal ruimtelijk beleid: verdichten en vergroenen
Onder ander via het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan, Ruimtelijke UitvoeringsPlannen (RUP’s) en stedenbouwkundige verordeningen hebben gemeenten heel wat bevoegdheden rond ruimtelijke ordening, binnen de krijtlijnen die de hogere overheid uittekent. Groen wil daarbij vertrekken vanuit het bestaande weefsel en dat openbreken, door het te verdichten op het ene punt en te vergroenen op het andere punt.
De lobbenstad is een goed basismodel, ook voor de rand en de kernen van het buitengebied. In dat concept is de stad een verzameling van goed gestructureerde ecologische stadsdelen (lobben), die elkaar opvolgen van de kern tot de rand. Elk stadsdeel heeft een eigen kern of as die binnen het kwartier te befietsen is en waar zowat alles op loopafstand te vinden is. Je vindt er de belangrijkste functies: detailhandel, lager onderwijs, cultuur, groen… Op die manier kunnen veel verplaatsingen met de fiets en te voet gebeuren. De stadsdelen worden gescheiden door water-, groen- en natuurassen die zich als vingers doorheen de stad slingeren. Ze verluchten de stad, geven natuur(ontwikkeling) een plaats en zijn de ecologische buffers van de stad. Ze hebben nood aan een duidelijke begrenzing en een juridische bescherming, om zo het groene en open karakter absoluut te garanderen.
Bestaande wijken kunnen tot ecologische stadsdelen worden omgebouwd door centrale delen te verdichten en tussen de stadsdelen groene vingers te realiseren. Ook de bestaande randstedelijke wijken kunnen binnen de stadsdelenstructuur geïntegreerd worden door centrale delen van die wijken te verdichten en er rond meer groen te creëren.
Ook in de dorpen Dudzele, Lissewege en Zeebrugge kunnen we kiezen voor een combinatie van verdichting met het binnenbrengen van groene vingers die de link met de open ruimte leggen.
Verweving van functies als wonen, werken en winkelen, op voorwaarde dat het gaat om functies op maat van de gemeente. Enkel hinderlijke bedrijven worden afgezonderd. Kantoren worden zoveel mogelijk geïntegreerd binnen het woongebied zonder de woonfunctie aan te tasten. Grootschalige kantoren kunnen enkel op strategische plaatsen, bijvoorbeeld in de buurt van stations.
Ruimtelijke ontwikkeling rond knooppunten van openbaar vervoer. De lokale overheid kiest voor kernversterking en maakt optimaal gebruik van de bestaande netwerken van openbaar vervoer. Functies die veel volk aantrekken, worden enkel toegelaten in de nabijheid van openbaar vervoer.
Harde infrastructuur (zoals snelwegen, viaducten en spoorwegen) die druk bewoonde gebieden doorkruist, wordt naar buitenlands voorbeeld best overbouwd of ingekapseld in een groene buffer. De overbouwingen zorgen er ook voor dat ze geen barrière meer vormen tussen wijken.
Ruimte voor groen: de gemeente past een groennorm toe om de aanwezigheid van voldoende bereikbaar en beleefbaar groen te garanderen. Daarbij wordt zowel de aanwezigheid van groen op buurt- en wijkniveau gegarandeerd als die van grotere gebieden (bvb. Tillegembos, Ryckevelde, Schipdonkkanaal en Damse Vaart) op fietsafstand. Een keuze voor inbreiding, kernversterking en compact wonen biedt net meer ruimte voor kwalitatieve publieke ruimte, buurtgroen en wijkgroen. Daartoe behoort de aanleg van volkstuinen, tuinparken en schooltuinen. Waar publieke ruimte of groen nu schaars is, kan bijkomende ruimte gecreëerd worden (‘uitpitting’). In dicht bebouwde wijken waar de groennorm niet wordt bereikt, kunnen groenontwikkelingspercentages in de ruimtelijke uitvoeringsplannen opgenomen worden. Bij de realisatie van een project moet de projectontwikkelaar deze percentages (een vorm van stedenbouwkundige lasten realiseren). Als hij daar niet in slaagt of als de ruimte er niet is kan de gemeente (stad) dan zelf via een groenfonds bijkomend groen realiseren via een gericht grond- en pandenbeleid (bv. onteigenen, opkopen, …) of kan via dit groenfonds projecten ondersteunen voor meer groen in de gemeente (stad).
De gemeente kan via specifieke en sectorale groene en blauwe RUP’s de natuur in de gemeente versterken of ruimte geven aan waterbeheer in een rivier- of beekvallei.
Het is aan de gemeente om het lokaal ruimtelijk beleid te sturen, niet aan privéontwikkelaars. Daarbij willen we ook de nodige aandacht voor sociale mix en cohesie. (zie hoofdstuk Wonen)
Spaarzaam met ruimte
Ruimte is en blijft schaars. Tegelijkertijd is er veel ongebruikte of onderbenutte ruimte in steden, dorpskernen en op bedrijventerreinen. Om de open ruimte te sparen, willen we de ruimte zo efficiënt mogelijk benutten.
Via een belasting op leegstand en/of verwaarlozing van gebouwen en woningen en een belasting op onbebouwde gronden, gelegen in gebieden voor industrie of wonen zorgt de gemeente dat de bestaande percelen efficiënt gebruikt worden en zo weinig mogelijk nieuwe industriezones of woonuitbreidingsgebieden aangesneden worden. Bij voorkeur gaat het om een progressieve heffing, die stijgt in de tijd, naarmate een grond of pand langer ongebruikt blijft.
De gemeente voert een actief grond- en pandenbeleid, waarbij leegstaande gebouwen herbestemd worden tot woningen, werkplekken of diensten (b.v. crèches, buurtwinkels,…). Dit kan gebeuren via een rollend fonds, waarbij de opbrengsten van een vorige investering gebruikt worden om een volgende te financieren.
In plaats van voortdurend nieuwe open ruimte aan te snijden voor industrieterreinen kiezen voor betere aanwending van de bestaande voorraad, ontwikkeling van brownfields, zuinig ruimtegebruik en een keuze voor bedrijven met hoge toevoegde waarde i.p.v. ruimteverslindende distributie. Een betere aanwending van de bestaande voorraad kan onder andere gebeuren door een eigen grondenbank op te richten en deze mee onder te brengen in een gemeentelijke grondregie. Om op regionaal vlak een overaanbod aan bedrijventerreinen te voorkomen, dient er ook werk gemaakt te worden van een betere coördinatie tussen de gemeenten. Er wordt geïnvesteerd in kernversterking en buurtwinkels in plaats van winkellinten en shoppingcentra aan de rand van steden en gemeenten. Een belangrijke vraag is: welk niveau van voorzieningen op welke plaats? KMO en middenstand op het niveau van de lokale noden krijgen de prioriteit.
De bestaande ruimtelijke realiteit helemaal terugdraaien is niet mogelijk. Maar waar er zich kansen aanbieden, kunnen gemeenten wel mee stappen zetten naar ruimtelijk herstel waarbij we planmatig ruimte terugwinnen (boerderijen zonder opvolging, verkrotting, waar mogelijk schrappen van woonuitbreidingsgebieden, uitdovende weekendhuisjes, te herlokaliseren grootschalige bedrijven binnen woongebied waarvan de schaalgrootte vermenging van functies niet mogelijk maakt).
Onderbenutte ruimtes in de omgeving van water en natuur kunnen we gebruiken om de noodzakelijke linten en buffergebieden tussen de verschillende lobben/ecologische stadsdelen te creëren.
Verder worden die ongebruikte en onderbenutte ruimtes best eerst gebruikt worden om het mogelijk tekort aan groen in de omgeving te keren. Het openbaar maken van groene delen van binnenruimten is daarbij een eerste optie.
Landbouw, natuur en recreatie: meervoudig gebruik van de open ruimte
Natuur, landbouw, recreatie staan vaak op gespannen voet met elkaar, terwijl er interessante allianties mogelijk zijn. Het platteland heeft potentieel een belangrijke economische meerwaarde.
Het platteland is geen groot Bokrijk, maar we kunnen wel de belevingsruimte van het platteland sterk verhogen door actief te werken aan allianties tussen landbouw, natuur, duurzaam toerisme / (zachte) recreatie met respect voor de draagkracht,… Zo kunnen we ook heel wat economische kansen benutten. Duurzame plattelandsontwikkeling betekent dat we in het landelijke gebied het bestaande culturele erfgoed willen behouden, natuur en landschap bewaren of ontwikkelen, en het sociale, economische en culturele leven versterken.
Landbouw heeft de functie om op milieu- en diervriendelijke wijze te zorgen voor de productie van kwaliteitsvol voedsel. Maar landbouw moet ook verder diversifiëren in het kader van plattelandsontwikkeling: energieopwekking, zorgboerderijen, hoevetoerisme, medebeheer van natuurgebieden, toerisme, voedselvoorzieningen: korte ketenverkoop, voedselteams. We willen landbouwers actief laten meewerken aan het behoud, beheer en verbetering van de kwaliteit van het platteland. De gemeente stimuleert landbouwers om in te tekenen op de milieubeheersovereenkomsten met de Vlaamse overheid.
In erosiegevoelige gebieden is er nood aan een erosiebestrijdingsbeleid (kleinschalige erosiebestrijdingswerken als erosiepoelen, buffergrachten en kleine bufferbekkens, aangepaste landbouwtechnieken, voorzien van voldoende bos, beplanting of grasland,…).
Toerisme kan één van de dragers worden van een aangepaste streekontwikkeling van meer landelijke gebieden en kernen: beheer van bossen, natuur, landschappen, maar ook erfgoed in combinatie met lokale economische ontwikkeling, zoals streekeigen producten en evenementen die aansluiten bij de eigen identiteit van een streek, wandel- en fietspaden, ruiterroutes, sport, recreatief medegebruik, verblijfsrecreatie, horeca. Bij uitbreiding gaat het ook over nieuwe vormen van zorg (geïntegreerde zorg- en behandelcentra in een landelijke omgeving voor zorg op maat) en van nieuwe kwalitatieve voedselproductie voor stadsbewoners. (Zie ook hoofdstuk Lokale economie)
Ruimte voor water
Bouwen in overstromingsgebied in combinatie met een klimaatverandering is een gevaarlijke cocktail. Tijd dus voor een volwaardige (bindende) watertoets, meer ruimte voor water, minder verharding. Ruimte geven voor water verhoogt bovendien de leefkwaliteit van de gemeente. De gemeente draait nu dikwijls mee op voor een beleid dat faalt op hogere niveaus. Maar ook op lokaal niveau dient men zich beter voor te bereiden op meer periodes van hevige regenval en op periodes van meer droogte. Tot slot is ook de uitvoering van de Europese Kaderrichtlijn Water (zorgen voor proper water en een goede ecologische toestand) een belangrijke uitdaging voor de lokale besturen.
Gemeenten hebben een basisopdracht bij de realisatie van een integraal waterbeleid. Samen met de bekkencomités kunnen zij er voor zorgen dat overstromingen worden vermeden door effectief meer ruimte te geven aan water: rivieren moeten terug meer kunnen meanderen en op zoveel mogelijk plaatsen terug kunnen beschikken over een winterbedding of ruimtes die tijdelijk kunnen overstromen. Waar dat niet meer mogelijk is moeten meer spaarbekkens en waar nodig ook ondergrondse bufferbekkens voorzien worden.
De gemeente maakt werk van de verdere uitbouw, modernisering en onderhoud van het gemeentelijk rioleringsstelsel. Maximaal scheiden van regenwater en afvalwater is daarbij de boodschap. Regenwater hoort thuis in grachten, niet in rioolpijpen. Zodat al het water dat niet vuil is, terug de grond in kan. In zones waar gekozen wordt voor individuele waterzuiveringsinstallaties (de zogenaamde IBA’s), gebeuren aankoop en beheer bij voorkeur door de gemeente. De burger betaalt hiervoor een vergoeding (eventueel gedeeltelijk via zijn saneringsbijdrage), de gemeente subsidieert een gedeelte.
Voorzien in meer natuurlijke afwatering: grachten en greppels, waarin water traag wordt afgevoerd. Beken en rivieren die vroeger ingebuisd werden, kunnen we terug boven de grond halen. Blauwe aders in de gemeente zijn bovendien een bron van rust, recreatie en natuurontwikkeling.
Aanleg van wadi’s in nieuwe wijken of bij de heraanleg van straten (een wadi is een laagte waarin het regenwater zich kan verzamelen en in de bodem kan infiltreren).
Een volwaardige watertoets, die echt bepalend is bij het al dan niet verlenen van een bouwvergunning, bij de stedenbouwkundige adviezen of bij de opmaak van gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen. De gemeente laat geen bebouwing in overstromingsgebied toe.
Subsidiëren van regenwaterputten (die nu al verplicht zijn voor nieuwbouw) en groendaken.
Stimuleren van zuinig watergebruik, zowel in eigen gemeentelijke diensten, bij gezinnen als bij bedrijven.
Verminderen van de hoeveelheid verharde oppervlakte in de gemeente. Dit kan onder andere via stedenbouwkundige verordeningen of via premies voor particulieren, instellingen, scholen om opritten, wegen, speelplaatsen te ‘ontharden’ of op zijn minst hiervoor materialen te gebruiken, die water doorlaten.
Kwaliteit van de publieke ruimte
De publieke ruimte kan beter ingevuld worden. Zeker in steden, maar ook in de kernen van het buitengebied, is een grotere kwaliteit van de publieke ruimte noodzakelijk.
Er is nood aan en coherente en geïntegreerd beleid rond publieke ruimte. Dit kan best gestalte worden gegeven door een volwaardige schepen van publieke ruimte.
Groen wil meer publieke ruimte creëren, bijvoorbeeld door pleinen die nu louter parkeerplaatsen zijn te recupereren op de auto.
Groen pleit voor het publiek houden van de openbare ruimte. We willen ook voldoende publieke voorzieningen (rustpunten, zitbanken, toiletten, postbussen,…). In samenspraak met de seniorenadviesraad wordt een inventarisatie gemaakt van goed toegankelijke (gratis) toiletten. Deze bevinden zich in het publiek domein, openbare gebouwen, horecazaken en winkels. Bewoners en bezoekers weten de toiletten te vinden door een goede bewegwijzering (invulling van gratis toiletten op het stadsplan geeft al een meerwaarde).
We willen ook geen ‘gated communities’. Grote bouwblokken of kantoorcomplexen mogen geen obstakels tussen buurten vormen. Dergelijke bouwblokken willen we doorwandelbaar maken en we willen de publieke functie steeds vrijwaren.
Bij (her)aanleg van publieke ruimte wordt rekening gehouden met een set aan kwaliteitscriteria. Kwalitatieve publieke ruimte biedt comfort aan de gebruikers: wandelcomfort, verblijfscomfort, zitplaatsen, zichtkwaliteit, geen geluidsoverlast. Kwalitatieve publieke ruimte is qua schaal aangepast aan de omgeving, is mooi en aangenaam om te verblijven, biedt belevingswaarde . Kwalitatieve publieke ruimte verhoogt de (verkeers)veiligheid en beschermt tegen wisselende weersomstandigheden en vervuiling.
Een kwaliteitsvolle invulling van de publieke ruimte vertrekt van de bestaande kwaliteiten en de geschiedenis van de plek (b.v. integratie en versterking van het bestaande groen,…).
Kindvriendelijke ruimte is kwaliteitsvolle ruimte. Kindvriendelijkheid is daarom een centraal aandachtspunt bij alle ruimtelijke planningsinstrumenten. Gemeenten werken aan een ‘speelweefsel’, een netwerk van formele kindvoorzieningen (speelterreinen, speelbossen, jeugdlokalen…), informele kindvoorzieningen (woonstraat, plein, groene ruimte, bibliotheek,…) en verbindingen tussen die voorzieningen.
Groen wil straten en pleinen die voor iedereen toegankelijk zijn, ook voor ouderen, mensen met een rolstoel, slechtzienden,…
Burgers betrekken
Participatie is geen vervelend verplicht nummertje. Integendeel, op een goede manier burgers betrekken, zorgt voor een groter draagvlak en betere beslissingen. Het is vaak rond ruimtelijke projecten dat de vraag naar inspraak groot is.
Participatie is niet iets wat aan het einde van een traject opduikt. Integendeel, dat zorgt voor grote ontevredenheid bij alle partijen: burgers hebben het gevoel dat alles al beslist is, en als men (al dan niet gDoor burgers van bij het begin te betrekken, kan men tot betere beslissingen komen en het draagvlak verhogenedwongen) toch nog iets verandert, zorgt dat voor grote vertragingen. .
Burgers betrekken mag zich niet beperken tot de klassieke instrumenten als hoorzittingen en adviesraden. Door gebruik te maken van andere en nieuwe methodieken (b.v. burgerjury’s, een fototentoonstelling waarbij kinderen kunnen aangeven wat ze in hun buurt wel of niet appreciëren,... ) kan men nog heel wat andere ideeën naar voor laten komen en groepen bereiken die men met de klassieke instrumenten niet of nauwelijks bereikt.
Via onder andere wijkbudgetten kunnen we nog een stap verder gaan, en komen tot echte ‘coproductie’: burgers die mee de toekomst van een stukje publieke ruimte in de wijk in handen nemen en hiervoor een budget van de gemeente ter beschikking krijgen.